NAVO in Afghanistan

Oorlog voeren schept vredesverplichtingen. Als één ding duidelijk is geworden na de strijd in Afghanistan en Irak, dan is het dat wel. Washington kwam in beide landen na wat het beloofde: winnen op het slagveld en het bewind verdrijven. Maar daarmee is alles wel gezegd. Afghanistan is als een puinhoop achtergelaten. De Amerikanen verloren na de overwinning op de Talibaan snel hun belangstelling. Een beperkte internationale troepenmacht moest voor de vredeshandhaving zorgen, terwijl Amerikaanse soldaten alweer naar het volgende front trokken: Irak. De verplichting om de vrede te bevechten werd al te makkelijk aan anderen overgelaten. Dat hoort misschien bij de huidige Amerikaanse visie op conflictbeheersing in de wereld, maar het laat zich moeilijk rijmen met de economische en militaire zorg die de VS in het verleden na grote wereldbranden op zich namen. Zie het Marshall-plan voor Europa na de Tweede Wereldoorlog; zie de langdurige militaire inspanningen in Zuid-Korea.

Een weloverwogen stappenplan voor naoorlogs Afghanistan ontbrak. Hetzelfde geldt voor Irak. De huidige fase, waarin de bezetters van Irak samen met de Verenigde Naties en de bevolking voor vrede en veiligheid moeten zorgen, verloopt stroef en chaotisch. Om de hoek loert de guerrillaoorlog, nachtmerrie voor politici die uit zijn op herverkiezing. Zo goed doordacht als de oorlog was, zo slecht voorbereid is de pacificatie. Maar het maakt de pogingen om gaandeweg en improviserenderwijs aan stabilisatie in deze landen te werken wel zo interessant. Daarbij kunnen organisaties een rol krijgen die kortgeleden voor onmogelijk werd gehouden. De NAVO bijvoorbeeld, het defensieverbond dat voortkomt uit de Koude Oorlog en dat als exclusief werkterrein Europa en Noord-Amerika had, is binnenkort actief in zowel Irak als Afghanistan. Later dit jaar zal de NAVO Polen helpen met de vorming van een stabilisatiemacht in Irak. In Afghanistan neemt de alliantie aanstaande maandag het commando over van de VN-vredesmacht, de International Security Assistance Force (ISAF).

Dit laatste is een mijlpaal. Het is voor het eerst in haar 55-jarig bestaan dat de NAVO buiten het eigen grondgebied actief is. NAVO-militairen nemen de plaats in van de verzamelde Duits-Nederlandse troepen die tot nu toe het commando over ISAF voerden. De Afghaanse missie is voor de NAVO een belangrijk proefproject. Is de alliantie in staat om militair en organisatorisch de hooggespannen verwachtingen waar te maken? Haar voortbestaan hangt mede af van een succesvol optreden in Kabul en omgeving. De Amerikanen hebben de nieuwe rol van de NAVO afgedwongen. Nu moet blijken of het bondgenootschap in Afghanistan – en later mogelijk in Irak – toegevoegde waarde kan bieden.

Dat kan alleen als de lidstaten zich van hun verplichtingen bewust zijn. Allereerst dient nauw te worden samengewerkt met die andere internationale organisatie, de VN. In goede harmonie, zonder animositeit en met voorbijgaan aan de vele bureaucratische belemmeringen die zo kenmerkend zijn voor beide instellingen. En dan met erkenning van het feit dat vredeshandhaving in voormalig oorlogsgebied geen vluggertje is. Het gaat om langdurig werk in uitvoering; niet zonder risico's bovendien. Nederland is er tot nu toe in Afghanistan relatief goed vanaf gekomen. Dat had ook anders kunnen lopen. De Duitse troepen, waarmee de Nederlanders nauw samenwerkten, tellen meer slachtoffers van aanslagen en ongelukken. Ook onder de komende NAVO-soldaten is overigens weer een aantal Nederlanders.

Het inzetten van de NAVO in Afghanistan valt als experiment toe te juichen. Het is dit – of teren op oude roem en dus marginaliseren. De totale ISAF-macht, 4.800 man, blijft echter een druppel op een gloeiende plaat. Het aantal is te gering en het mandaatgebied te beperkt om het hele land te pacificeren. Ook de lering híeruit is van belang voor Irak.