Museum Prinsenhof ruilt tapijten voor schilderij

Museum het Prinsenhof in Delft ruilde een zeldzame serie wandtapijten voor een oude meester. Mag zoiets? Het verhaal achter een ,,unieke'' transactie.

,,Zeer zeldzaam'', zo betitelde de catalogus van Christie's de nummers 111-116 op een veiling van 12 december vorig jaar in Londen. Het betrof een serie Brusselse wandtapijten over het thema Tobias en de Engel. Ze werden aangeduid als ,,the property of a gentleman''. Maar tot een maand voor de veiling maakten ze deel uit van de collectie van stedelijk museum Het Prinsenhof in Delft, dat ze in 1959 had aangekocht.

Hoe kan openbaar kunstbezit op een veiling belanden? Het museum bleek de wandtapijten te hebben geruild voor een schilderij van de Delftse meester Cornelis de Man (1625-1707) met de in Zwitserland wonende verzamelaar en oud-ambassadeur van Pakistan, Karim Khan. Hij was de gentleman die ze naar de veiling bracht. Opbrengst bijna 251.000 pond (358.000 euro).

Zakelijk gezien was de ruil een goede transactie voor Het Prinsenhof. Christie's had het doek van De Man, Vrouw met kat in interieur (1666) getaxeerd op twee miljoen gulden – een aanschaf die het budget van het stedelijk museum ver te boven zou gaan. Ruilen was het enige wat er op zat. Het Instituut Collectie Nederland (ICN), dat het staatskunstdepot beheert, werd gepolst of dit geen ruilobject kon leveren. Maar het ICN wilde daar niet aan. Toen besloot museumdirectrice Daniëlle Lokin tot een ruil uit eigen, gemeentelijk bezit.

Maar mag een museum dat hoeder is van openbaar kunstbezit wel stukken, die nota bene als zeldzaam worden aangemerkt, afstoten? Tien jaar geleden zorgde Rudi Fuchs, toen nog directeur van het Haags Gemeentemuseum voor veel ophef. Hij wilde twee Picasso's en een Monet in de verkoop doen. Dat ging niet door. Op een conferentie bij veilinghuis Sotheby's in Amsterdam werd het taboe in 1997 alsnog doorbroken. Directeur Rik Vos van het ICN bepleitte openlijk een beleid van ,,ontzamelen'', gerichte afstoting door musea. De Nederlandse Museumvereniging heeft inmiddels een Leidraad voor het afstoten van museale objecten opgesteld, die op internet staat. Delft heeft de leidraad bij de ruil gevolgd, benadrukt Lokin.

Een ruil van deze omvang is in Nederland ,,uniek'', zegt de Delftse wethouder Marten Oosten, bij wie de eindbeslissing lag. Hij is trots op de transactie die volgens hem een ,,voorbeeldfunctie'' verdient. Aan de pluskant noteert Oosten, behalve de gunstige rekensom, het belang van de Collectie Delft. Deze heeft drie zwaartepunten: Delfts Blauw, Delfts Oranje (de historische connectie met Willem de Zwijger) en de Delftse School uit de Gouden Eeuw. Cornelis de Man hoort in de laatste categorie. ,,Een begaafd figuurschilder'', jubelde Lokin al in 1996. Ook het handboek van Bob Haak over de Gouden Eeuw laat weinig twijfel over het belang van Cornelis de Man voor Delft. Hij moet in het Delftse kunstleven een belangrijke rol heben gespeeld want hij wordt tussen 1657 en 1696 talrijke malen als overman van het gilde genoemd, in 1672 samen met Vermeer.

Een echte Vermeer heeft Delft in een ver verleden laten glippen, merkt Oosten spijtig op. Het museum bezit wel portretten van Cornelis de Man, maar geen genrestuk zoals de Vrouw met kat in interieur. Ondanks het gebrek aan belangstelling van het ICN noemt Lokin dit een aanwinst voor de hele Collectie Nederland.

Een aanwinst, maar tot welke prijs? De Tobias-tapijten waren in uitzonderlijk goede staat. Ze waren weinig verkleurd wat inderdaad ,,zeldzaam'' is voor Vlaamse tapijten uit die periode. En het was een ensemble, waarbij het geheel groter is dan de som der delen. Dit is een factor die meetelt in de classificatie van openbaar kunstbezit. Delft heeft bovendien iets met de tapijtkunst. Ebeltje Hartkamp, textielconservator van het Rijksmuseum noemt de tapijten desgevraagd ,,niet echt van nationaal belang''. Ze waren haar in de catalogus van Christie's wel opgevallen maar ze kwam al gauw tot de conclusie dat het ensemble niet hoog op haar prioriteitenlijstje stond.

De grote valkuil bij afstoting blijft, zoals de Leidraad waarschuwt, dat ,,het depotstuk van vandaag het topstuk van morgen kan zijn''. Het gevaar van een misser zit in een klein hoekje, afgezien van het respect voor de verzamelgeschiedenis dat beheerders van openbare collecties past. Een aankoop uit 1959 telt wat dit betreft minder zwaar dan een eeuwenoud bezit, zegt oud-museumman Wim Vroom die deel uit maakt van de zogeheten Gedragslijncommissie van de Museumvereniging. De aankoop werd destijds in het Delftse jaarverslag gepresenteerd als ,,bevredigend voor de aankleding van het museum''. De commissie waarschuwde in 1999 wel dat afstoten van museale objecten een ,,bijzondere motiveringsplicht'' meebrengt. Daar was Delft gauw klaar mee. De ruil kwam zelfs niet in de gemeenteraad maar werd overgelaten aan wethouder Oosten. Deze heeft de ruil ,,mondeling toegelicht en afgedaan in het college''.