`Ik heb altijd volle klassen'

Marjan van der Vegt geeft haar vak, wiskunde, `vrij abstract' en ze houdt de drempel in de omgang met haar studenten bewust laag. Vijfde aflevering van de serie over docenten van het jaar.

De studentenvereniging NERVI riep Marjan van der Vegt, (41) docente wiskunde bij de vakgroep Bouwkunde aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle, in 2002 uit tot docent van het jaar. Wel bijzonder dat die eer uitgerekend aan de leraar van één van de lastigste vakken werd toegekend. En dan heeft Van der Vegt ook nog eens de opvatting dat de wiskunde `puur' moet worden gegeven, geheel tegen de landelijke trend in om het vak aan de hand van praktische voorbeelden heel toegepast te doceren.

``Wij hebben er bewust voor gekozen de wiskunde vrij abstract te geven'', zegt Van der Vegt. ``Door het apart te houden ontlopen we het risico dat het vak ondersneeuwt binnen andere vakken. Voor wiskunde hebben we echt een uitzondering gemaakt: andere vakken zijn wel geïntegreerd. Wiskunde is namelijk zo basaal voor alle andere vakken, dat moet je didactisch goed neerzetten. Studenten moeten kunnen omgaan met formules.''

Dat studenten desondanks haar colleges waarderen, komt volgens Van der Vegt door haar `opendeurbeleid'. ``De studenten ervaren wiskunde als erg moeilijk. Ik geef ze daarom heel veel aandacht. Ze mogen bij mij altijd binnenkomen met vragen. Als studenten dat willen, geef ik ze een paar extra lessen om iets moeilijks uit te leggen. Ik kies voor een persoonlijke benadering. Het werkt, want ik heb altijd volle klassen.''

Maar die belangstelling kan ook liggen aan het verplichte karakter van het vak, geeft Van der Vegt ruiterlijk toe. ``Het vak wiskunde behoort tot het zogeheten Bindend Negatief Studieadvies (BNS). Wie een deel van de wiskunde in het eerste jaar niet haalt, mag niet verder. In het BNS zijn vakken opgenomen die fundamenteel zijn voor de opleiding of die een grote voorspellende waarde hebben voor het verloop van de rest van de studie. Ik denk dat voor wiskunde allebei geldt.''

Het valt Van der Vegt op dat er steeds meer studenten met een achterstand in wiskunde aan het eerste jaar beginnen. ``Ik zal ze wel moeten bijspijkeren, want anders ben ik de helft van de studenten al kwijt. Voor eerstejaars studenten is wiskunde aan de hogeschool vaak echt een schok: wij doen hier in drie weken waar zij vroeger op de middelbare school een half jaar over mochten doen.''

De kwaliteit van het vak wiskunde heeft door de komst van de Tweede Fase in het middelbaar onderwijs flink te lijden gehad, vindt Van der Vegt. ``Ik moet aan het begin van het jaar vooral repareren en op een laag niveau instappen. De oorzaak is dat er in het middelbaar onderwijs steeds minder tijd voor wiskunde is. Dat begrijp ik niet, want het bedrijfsleven zit te springen om bèta's. Het abstractievermogen ontbreekt. Het begint al op de basisschool waar leerlingen realistisch rekenen krijgen. Dat is wel mooi, maar het eenvoudige handwerk als een staartdeling of breuken optellen, dat kunnen ze niet meer. Ze hebben er altijd een rekenmachine bij nodig. Maar daardoor lopen ze vast bij het werken met formules.''

Voordat ze vijf jaar geleden aan de Hogeschool ging doceren, werkte Van der Vegt dertien jaar als wiskundelerares op diverse middelbare scholen. Maar daar kwam ze bijna niet aan het vak toe. ``Ik was vooral bezig met het opvoeden van kinderen, en dat deed ik thuis ook al. Hier is de verhouding met studenten veel gelijkwaardiger. Ik merk dat ik nu met volwassenen werk en ik heb het idee dat ik meer voor de studenten kan betekenen. Het werk hier is ook veel gevarieerder. De helft van mijn tijd besteed ik aan lessen, de ander helft aan organisatorische zaken. Dat is een heel prettige mix. Bij de uitleg probeer het zo te brengen dat mensen die niet voor dit vak kiezen het toch leuk vinden. Studenten die in het begin zeggen `ik snap er niets van' en aan het eind van het jaar bij mij komen en mij vertellen het `eigenlijk toch erg leuk' te vinden, daar haal ik mijn voldoening uit.''

De Hogeschool Windesheim in Zwolle is een onderwijsinstelling van aanzienlijke omvang. De campus bestaat uit tientallen uit de kluiten gewassen gebouwen. Inclusief deeltijdstudenten telt de school 13.000 studenten. Onlangs ging Windesheim een fusie aan met de Vrije Universiteit in Amsterdam waardoor er zelfs nog meer studenten zijn. Maar zo massaal voelt het helemaal niet aan, zegt Van der Vegt. ``Wij vormen hier met Bouwkunde, Civiele techniek en straks de nieuwe opleiding Verkeerskunde maar een kleine groep. Alle docenten hebben hun werkkamers bij elkaar op een verdieping van een gebouw. Het is overzichtelijk. Er zijn in het eerste jaar honderd studenten bouwkunde en nog eens zo'n dertig studenten civiele techniek. Ik ken de studenten allemaal van gezicht en van de meesten ken ik ook de naam.''

Windesheim heeft een streekfunctie en trekt vooral studenten uit de directe omgeving. De meesten blijven thuis wonen en reizen veel. Van der Vegt: ``Het is lastig om woonruimte te vinden, ook in Zwolle, maar de meeste studenten willen ook niet op zichzelf wonen. Toen ik zo oud was wilde ik meteen het ouderlijk huis uit. Het zal wel een generatieverschil zijn.''

Van der Vegt schuwt, ondanks haar conservatieve opvatting over de inhoud van het wiskundeonderwijs, andere vernieuwingen in het onderwijs niet. Zij introduceerde als eerste docent bij Bouwkunde en Civiele Techniek het systeem Blackboard, een soort prikbord op internet waarvan studenten dictaten, proeftentamens en cijfers kunnen ophalen. Dat stuitte in het begin op wat weerstand van studenten, die bijvoorbeeld niet meer de cijferlijsten in de gang konden raadplegen, zoals zij gewend waren. Van der Vegt: ``Ze vonden dat ik maar moeilijk deed. Maar nu we twee jaar verder zijn is dat helemaal omgeslagen. Studenten vinden het nu prettig dat ze vanaf overal of zij nu thuis zijn of op school bij hun spullen kunnen komen.''

Ook Van der Vegts lesmethoden zijn minder conventioneel. ``Ik geef de studenten eerst een hoorcollege. Met het bijbehorende Blackboard-dictaat weten ze dan precies wat de theorie is en of ze er vragen over hebben. Het tweede college is dan een werkcollege waarin ik het initiatief aan henzelf overlaat. Er is dan elk jaar wel een klas bij die geen vragen heeft en mij afwachtend blijft aankijken. Dan zeg ik: `Nou, als er geen vragen zijn, dan is de les nu afgelopen.' De studenten zijn dan stomverbaasd. Het hoeft maar één keer te gebeuren en dan weten ze hoe het bij mij werkt.''

Studenten die afstuderen aan de opleiding bij Windesheim hebben goede kansen op de arbeidsmarkt. Ze komen terecht in de hogere kaderfuncties in de bouw, ze vinden werk als aannemer, als projectontwikkelaar, in het management van een bouwbedrijf. De opleiding is pittig, zegt Van der Vegt. ``Er staat vier jaar voor en veel studeren ook binnen die tijd af. Maar reëel bekeken denk ik dat viereneenhalf jaar normaal is. Studenten hebben hier een werkweek die niet bij veertig uur ophoudt. Gelukkig hebben wij hier jongens die erg graag willen. Vaak hebben zij familie die in de bouw werkt en zijn zij al van jongs af aan geïnteresseerd in het vak.''

Marjan van der Vegt denkt even na en zegt dan: ``Ja, ik zeg jongens, want daar gaat het hier helaas voornamelijk om. Er zijn veel te weinig meisjes, daar moet nodig wat aan gebeuren, vind ik. Ook het docententeam is eenzijdig van geslacht. Behalve ikzelf werkt er nog een vrouw als docent bij taalkunde en wij hebben heel bijzonder een vrouwelijke directeur. Maar er is hier nog een boel missiewerk te doen.''