`Hij rochelde, toen niets meer'

Het werk op de ambulance is zwaar, zeggen verpleegkundigen en chauffeurs die voor een particulier bedrijf werken en daarom voeren ze actie. Tegen de trend in willen zij eerder stoppen met werken.

Vijf hoog in een portiekflat in stadsdeel Bos en Lommer ligt een Marokkaanse man op bed. Als ambulanceverpleegkundige Ton Tuijl en zijn chauffeur André van Bochum om 8.13 uur de Amsterdamse flat binnenkomen, denken ze nog dat een 56-jarige diabetespatiënt een aanval heeft gehad, zoals de telefoniste zei. ,,Dat komt wel goed'', reageert Van Bochum nog.

Zodra ze de man zien liggen weten ze dat het niet meer goed komt. Hij rochelde, toen niets meer, zegt zijn vrouw en dat was een half uur geleden. Van Bochum (54) loopt de trappen af en op, voor een defibrillator en een zuurstofbom. Na twintig minuten reanimeren komt Van Bochum verhit naar buiten, alsof hém iets is overkomen. Het zweet gutst van zijn hoofd, een handdoek is om zijn rood aangelopen nek geslagen.

Het ambulancepersoneel van de particuliere bedrijven vindt het werk te zwaar om tot 59 jaar vol te houden en wil eerder stoppen, net als de GGD-collega's. Functioneel leeftijdsontslag heet dat. Dat geldt onder meer voor politieagenten, brandweer, parate militairen én voor het ambulancepersoneel dat in dienst is van de gemeente. Het is een regeling voor werknemers in beroepen die psychisch en lichamelijk zo zwaar zijn, dat niet kan worden verwacht dat ze het volhouden tot ze 65 jaar zijn.

Het ambulancepersoneel van de particuliere bedrijven doet hetzelfde werk als de ambtelijke collega's. Ze dragen dezelfde uniformen, ze hebben hetzelfde geleerd en bij ingewikkelde klussen ruilen ze materieel uit. ,,Dus hebben we recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden'', zegt Tuijl van de Amsterdamse particuliere ambulancedienst VZA. Maar directeur-generaal gezondheidszorg Van Rijn zei deze week dat het meer voor de hand ligt de uittredingsleeftijd voor het personeel van overheidsambulances te verhogen dan die van hun collega's bij particuliere bedrijven te verlagen.

Wanneer ze nog in de veertig zijn, zeggen de meeste ambulancewerkers, zoals verpleegkundige Jan van der Meer (44), dat het werk wel meevalt. Hij maakt ellendige situaties mee, maar dat wist hij toen hij eraan begon. Lichamelijk is het zwaar, de verantwoordelijkheid is groot. ,,Dat went na een aantal jaren.'' Vervolgens draait het ambulancepersoneel jarenlang op routine. Als ze vijftig zijn, dan verandert dat.

Ambulancechauffeur Ben Hess van de GGD in Den Haag is bijna 55. In september mag hij weg, vissen. Lichamelijk redt hij het nog wel, zegt Hess. Hij sport veel, ziet er gezond uit. Wat hem tegen is gaan staan zijn de veranderingen. Ieder jaar een ander protocol, nieuwe opleidingen, ander materiaal. Het navigatiesysteem in de ambulance gebruikt hij niet. ,,Dan sta ik ineens voor een lantarenpaal, of op een fietspad''.

Toen Hess en Van Bochum begonnen was het werk lichamelijk zwaarder dan het nu is. Ze hadden bijvoorbeeld geen trolley en moesten de brancard dus zelf tillen. Voor de rest is het alleen maar zwaarder geworden, zeggen ze. Drukker verkeer, meer agressie, een grotere werkdruk, meer verantwoordelijkheid.

Tot de jaren negentig waren ambulances bedoeld om patiënten zo snel mogelijk naar het ziekenhuis te vervoeren. Daarna veranderde het werk. Amerikaanse traumatologen ontdekten dat in het eerste uur na een incident de meeste levensbesparende handelingen konden worden verricht. Nu doen ambulanceverpleegkundigen vrijwel alles zelf, ter plaatse. De chauffeur assisteert. Tuijl en Van Bochum in Amsterdam bijvoorbeeld geven het slachtoffer medicijnen, beademen en reanimeren hem tot ze in het ziekenhuis aankomen. ,,Een, twee, drie, vier, vijf'', klinkt het dan nog staccato uit de shockroom van het VU Medisch Centrum. Dan niets meer.

Chauffeur Hess is emotioneler geworden, vertelt hij. ,,Wat je ziet gebeuren gaat naar binnen, gaat naar binnen, naar binnen en dan komt er een moment dat het er uit moet'', zegt zijn collega, ambulanceverpleegkundige Fred van Dijk. ,,Dat gebeurt ze vrijwel altijd als ze in de vijftig zijn''.

Bij de GGD in Den Haag gaat veertien procent van de werktijd op aan ziekte. Veel rug-, nek en knieklachten en soms is het psychisch. Een paar jaar eerder was het ziekteverzuim meer dan 20 procent. Ter vergelijking: bij de politie is het ziekteverzuim 10 procent, 8 procent in het lager en voortgezet onderwijs, 6 procent bij Defensie. Vreemd genoeg zijn het bij de ambulancedienst niet de vijftigers die het meest ziek zijn, zegt Hess. ,,Dat komt juist omdat ze weten dat ze nog maar kort hebben te werken.'' Bij het particuliere bedrijf in de stad, het Witte Kruis, mochten zijn collega's eerst pas met 62 jaar stoppen met werken. Sinds vorig jaar mogen ze stoppen als ze 59 zijn. Slechts één collega kent hij bij dat bedrijf die zijn pensioen gehaald heeft.

De gemeentelijke ambulancewerknemers vinden dat hun collega's bij de particulieren hetzelfde zouden moeten verdienen als zij, maar ze voelen zich niet geroepen uit solidariteit mee te staken. Ze vinden dat de particulieren ook om 55 jaar hadden moeten vragen, niet om 57 jaar, net als nu. Ze voelen zich bedreigd. Alleen Van Steenbergen maakt zich er minder druk over. Hij is allang blij. Hij komt van een particulier bedrijf en stapte over wegens de betere arbeidsvoorwaarden. Hij verwijt zijn vorige werkgever een ,,kruideniersmentaliteit''. Tuijl van de VZA beaamt: ,,Hier wordt iedere cent omgedraaid. Alles kan uiteindelijk, maar ze doen er zo moeilijk over. Een voorbeeld: de ambulances worden bij de gemeente in drie jaar afgeschreven. Hier in vijf jaar en dan gaan ze nog even mee.''

Brandweerman Ron Failé (45) heeft Tuijl en Van Bochum geassisteerd in Bos en Lommer. Hij hoort de klachten van de ambulancebroeders aan. ,,Óns werk is pas zwaar'', zegt Failé. ,,Vooral lichamelijk. Wij doen alles, van reanimeren tot branden blussen.'' Voorheen werkte hij bij de politie. ,,Dat was geestelijk zwaar. Ik raakte gefrustreerd. Voor je een proces-verbaal schrijft, staat de dader alweer op straat.''