Het treurig te laat

Eerst de schoen van Chroesjtsjov. Heeft hij ermee geslagen? Zoja, hoeveel keer? En waarom? Wat voor model was het? Vorige week heb ik, na het lezen van een artikeltje van de Amerikaanse historicus William Taubman, over dit probleem een stukje geschreven. Terwijl ik deze regels aan het tikken was, werd opnieuw een pakje brieven binnengebracht. Drie gaan over de schoen. Dit brengt het voorlopig totaal op 54, de e-mails meegerekend. Er zijn fotokopieën bij, onder andere van de voorpagina van de Nieuwe Rotterdamse Courant, na de dag van het tumult in de Verenigde Naties, en zelfs één authentieke foto van de sovjetleider met de schoen voor zich op de lessenaar. Het is allemaal post van lezers die óf zelf met het probleem zitten, óf het antwoord weten. Omdat er misschien nog meer reacties zullen komen, wacht ik met het schrijven van Schoen (2) tot volgende week. Weet intussen dat zulke post de stukjesschrijver veel plezier doet.

Nu iets anders uit een veel oudere doos. In je jeugd lees je alles, zonder speciaal op schrijver of titel te letten. Daardoor kan het voorkomen dat je een passage of een situatie onder ogen krijgt die zo goed geschreven is dat de zinnen, zelfs de plaats op de bladzijde, de typografie in je geheugen gegrift worden, maar dat de bijbehorende boekhouding van schrijver en titel je ontgaat. Als je het geheugen vrij spel laat – wat meestal het geval is – stroomt de inhoud als lekwater, trekt grillige patronen op het plafond van je hersenen, en opeens herken je iets waar je niet speciaal naar gezocht hebt, maar wat je goed van pas komt.

Dit moet voor de oorlog geweest zijn, voor de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal speelt zich af omstreeks de vorige eeuwwisseling. Een ingenieur maakt een zeereis, lijdt schipbreuk en spoelt aan op een onbewoond eiland. Ingenieurs vervelen zich nooit. Hij gaat uitvinden, maakt werktekeningen in het zand, verbetert, leert alles uit zijn hoofd, en dan, na een jaar of twee, komt het schip dat hem redt. We begrijpen hoe de verloren gewaande thuis wordt begroet. Het zou ook anders kunnen, maar dit was een tafereel van onbeschrijfelijke blijdschap.

Toch werkt hij al deze hartelijkheid snel af. Hij sluit zich op in het schuurtje, bij zijn gereedschap en werkbank. Komt alleen even tevoorschijn om te eten en te drinken. Wekenlang klinken daar gehamer, gesmeed en gezaag. Dan is het werk voltooid. Hij zeult een geweldige machine de huiskamer binnen, een machine zoals we ons een machine voorstellen, met wielen, drijfriemen, drijfstangen. Aan de ene kant steekt een brandweerslang naar buiten. `Geef me die asbak!' roept hij tegen zijn familie. Hij strooit de inhoud uit, zo ver mogelijk de huiskamer in. Zijn familie schrikt. Geen nood, roept hij, zwengelt de machine aan, en houdt de slang bij de gemorste troep. Zwaar brullend zuigt de machine alles op.

Wat heb ik je gezegd! En hij houdt een kleine redevoering waarin hij zijn machine prijst als de zegen der huisvrouwen. Nooit meer met een bezem of stoffer en blik over de grond. ,,Het enige wat er nog aan ontbreekt'', besluit hij, ,,is een goeie naam.''

,,Stofzuiger'', zegt zijn dochter toonloos.

Een vernuftig verhaal. Stofzuigers waren er al in de negentiende eeuw. De eerste bruikbare elektrische is in 1907 verschenen. Dat meldt de Google-zoekmachine. Als we aannemen dat deze ingenieur er een jaar of twee aan heeft gewerkt, heeft hij dus omstreeks 1905 schipbreuk geleden. Toen ik het avontuur voor het eerst en het laatst las, trof me het hartverscheurende. Nu nog trouwens, maar ik heb ook medelijden met het meisje dat haar vader het slechte nieuws verteld heeft.

Ook in het stukje van vorige week vroeg ik me af of het geloof dat Chroesjtsjovs tumult in de VN in ieder geval `iets' met zijn schoen had gedaan een vorm van ietisme kon zijn. Het ietsisme dat door columnist Ronald Plasterk volgens zijn eigen verklaring op 20 november 1997 is gelanceerd. Het voorziet in een behoefte, dat is gebleken. Maar in de Volkskrant van 8 augustus staat een brief van Ad Verkuijlen waarin hij meldt, dat hij in Filosofie Magazine van november 1996 al de grondslag voor de term heeft gelegd. Ik las verder: een brief van Paul de Vries. Het woord is van de Groningse hoogleraar, dr. R. Bakker, die het in het voorjaar van 1972 met een krijtje op het bord heeft geschreven.

Toen opeens dacht ik aan het verhaal van de te laat gekomen uitvinder van de stofzuiger. Er moet een manier zijn om zulke mensen te redden.

Volgende week de schoen.

    • S. Montag