H et optillen van de Titanic

Verre-landen-correspondenten moeten zich niet al te zeer laten leiden door nieuwswaarde, zij moeten vooral hun eigen fascinaties volgen, vindt Anil Ramdas.

Drie jaar lang was hij correspondent in India voor deze krant. `Over India kun je letterlijk alles zeggen, het berust altijd op evenveel waarheid als onwaarheid.'

De mangoverkoper zit gehurkt op zijn kar, een soort tafel met vier fietswielen eronder. Hij heeft een simpele weegschaal en maar twee gewichtjes, een van een kilo en een van een pond, maar mango is geen kaas, ze gaan niet per ons. Telkens als een klant hem iets vraagt, kijkt hij een paar tellen voor zich uit, alsof men hem voor een lastig dilemma heeft gesteld. Of alsof hij ineens aan zijn twee ongehuwde dochters moet denken. Of alsof hij een schietgebedje doet.

Zie de vrouw met een blauwe sari. Ze zegt iets tegen de mangoman en ja: hij kijkt enkele ogenblikken voor zich uit. Dan pakt hij zo'n zeven of acht mango's, doet die in de koperen schaal en vervolgens in haar boodschappentas. Hij krijgt biljetten en geeft klein geld terug, maar waar zat hij aan te denken? Vanwaar die aarzeling, die vertraging in zijn reactie?

Is dat een journalistieke vraag? Journalisten moeten nieuwsgierig zijn, maar is elke vorm van nieuwsgierigheid ook journalistiek? Een keer was ik in Amritsar, de Indiase stad vlakbij de grens met Pakistan. Het was een spannende tijd, er was bijna oorlog tussen de kernmachten en in Amritsar is maar één bar waar ze whisky schenken. Daar vind je dus alle journalisten van de wereld, en daar ontmoette ik de journalist van The Washington Post.

,,De boeren hebben het er maar moeilijk mee dat er mijnen zijn gelegd op hun land'', vertelde hij. Hij had zijn stuk net geschreven en opgestuurd naar zijn krant. ,,Heb je veel van die boeren ontmoet?'', vroeg ik.

,,Twee'', zei hij. ,,Daar heb ik de hele dag over gedaan. Wat heb jij gedaan vandaag?''

Ik was niet op zoek geweest naar boeren die het moeilijk hadden met de mijnen, ik had een uitstapje gemaakt naar de gouden tempel van de sikhs en naar de poort waar India ophoudt en Pakistan begint. Daar speelt zich om zes uur 's middags een kolderiek schouwspel af, van boomlange mannen die van beide kanten naar de poort marcheren, die met groot geweld opendoen en daarna dichtslaan, onder luid applaus van toeschouwers van beide landen.

Nieuws is het niet, het ritueel is al talloze keren beschreven en gefilmd, maar ik wilde het zien en ik was zeer onder de indruk. Twee grote, gevaarlijke legers die een mal toneelstukje spelen, alsof een kruisraket met zo'n gammel poortje kan worden tegengehouden.

,,Ik ben bij de ceremonie van de sluiting van de grens geweest'', zei ik tegen de Washington Post-correspondent, ,,erg indrukwekkend.''

,,Het is ook indrukwekkend, voor een toeristisch uitje. Maar dat kan je toch niet schrijven voor de krant?'', zei de Amerikaan.

,,Waarom niet?''

,,Omdat het geen journalistiek gegeven is, vooral niet in deze tijd van dreigende oorlog'', zei hij. Dat er oorlog dreigde, lazen we in de kranten, maar hier op de grens tussen India en Pakistan was hoegenaamd niets te zien.

,,Dat moeten zoeken naar twee boeren die bezwaar hebben tegen mijnen op hun akker, dat is pas een echt journalistiek gegeven'', zei ik.

,,Ah'', reageerde hij, ,,jij bent van het soort dat zich niet verlaagt tot journalistiek. Jij bent een romancier.'' De hoon in zijn stem was scherper dan de gepeperde pinda's op tafel en het was noch de eerste noch de laatste keer dat mij die hoon ten deel viel.

Het verhaal van de mangoverkoper met de vertragingsfactor vertelde ik eens in de Pressclub in Delhi aan een Indiase journaliste, die mij aandachtig aankeek en zei: ,,Wat kan het mij, als journalist, schelen waarom hij een paar tellen voor zich uitstaart?''

Wat haar, als journalist, dan wel kon schelen? ,,Wat de mango's dit jaar kosten. Wat die mangoverkoper verdient. Hoe hij daarmee rondkomt'', zei ze. Dat zijn zeker gewichtige kwesties, maar was ze helemaal niet nieuwsgierig naar die systematische aarzeling van de mangoverkoper? ,,Als ik de krant opensla, wil ik niet lezen waarom een mangoverkoper in Delhi twee tellen wacht voordat hij de mango's weegt.''

,,Ook niet als blijkt dat de man in feite doof is en aan de reactie van zijn klant bij het nemen van een gewichtje peilt wat er gevraagd is?'', vroeg ik.

Ze bleef het te `particulier' vinden om enige nieuwswaarde te hebben. En ik bleef volhouden dat het iets zei over gehandicapten in India, over de vooroordelen die er over hen zijn, over de neiging om zulke handicaps geheim te houden, omdat sommige dorpelingen het zien als een straf van een bepaalde god die het aanraken van fruit verbiedt en zo verder.

Ach, besloot ze, ,,voor een kort verhaaltje is het geen onaardig gegeven.''

Korte verhalen – zoveel maakte ze duidelijk – hoorden in slecht verkopende literaire blaadjes, niet in een dagblad.

Ik verdedigde me wel, maar ik was het niet helemaal oneens met de jongen van de Washington Post of de Indiase in de Pressclub. Je kunt als journalist moeilijk zelf bepalen wat een nieuwsfeit is of welke gebeurtenis belang wekt. Als ik mijn dagboek nalees – nou, dagboek, een stapeltje beduimelde 80-vels notitieblokjes van Lama – zie ik op de eerste bladzijden zowel ambitie als paniek. Beide even aandoenlijk. In het eerste geval wilde ik in mijn drie jaren in India zicht krijgen op ,,wat dit land scheelt'' en ,,hoe de Indiërs denken''.

Dat is zoiets als in je eentje de Titanic willen optillen. Ik zou in drie jaren te weten komen wat een land scheelt met een miljard inwoners en vijfduizend jaar oude heilige teksten. Met een verkeersbord in Delhi waarop staat: Calcutta, 1400 km. Een land met 180 miljoen huizen en drie miljoen tempels, om over de 60 miljoen televisietoestellen maar te zwijgen. Een land met meer talen en dialecten vol leugens en waarheden dan waar ook ter wereld.

Verder wist ik, als elke journalist, dat niet alle waarheden relevantie hebben en dat niet alles wat relevant is ook ongecompliceerd waar hoeft te zijn. En wie bepaalt de relevantie, het belang, de nieuwswaarde? Niet de individuele journalist, zelfs niet de gemeenschap van journalisten, maar uiteindelijk, vergeef me het cliché, de lezers. En de meeste lezers zijn net mensen, ze houden niet van nieuws, ze houden van bevestiging.

Als India een land van rampen, oorlogen en tovenarij is, dan zal India een land van rampen, oorlogen en tovenarij zijn. Dat dit tot lachwekkende taferelen leidt is al eerder beschreven. Correspondenten die twee dagen na de aardbeving van januari 2001 in Ahmedabad aankwamen en elkaar letterlijk achtervolgden om te laten zien dat de stad in puin lag, zoals een Indiase tv-verslaggever had verklaard. De stad lag niet in puin, de doden waren op duizenden kilometers afstand gevallen, maar iedereen maakte om beurten opnamen van dezelfde scheuren in gebouwen.

In Kashmir is een absurde strijd gaande tussen terroristen uit Pakistan, die de steun hebben van vooral de jongeren van Kashmir, en de soldaten van India, die door de ouderen worden getolereerd. Enkele tientallen correspondenten verblijven in hotel `Broadway', omdat de bar er dag en nacht open is. Zodra er weer een aanslag is gepleegd, slaat de man van de receptie alarm, waarna onmiddellijk camera's en statieven worden gepakt en iedereen in zijn eigen jeep springt om in optocht naar de plaats des onheils te rijden.

Kashmir is groot en de journalisten kunnen pas bij de plek komen als de plaatselijke politie dat toestaat. Nooit komt men te weten wie de moorden heeft gepleegd: als militairen verklede terroristen of als terroristen verklede militairen of moordenaars die niet de moeite namen zich te verkleden. De camera's zoomen in op huilende vrouwen en het verslag van de politiewoordvoerder wordt braaf genoteerd. Daarna is er bier en whisky in de bar van Broadway.

Religieuze plechtigheden worden net zo verslagen: nooit komt men te weten wat het voor de biddenden betekent. Maar de gekke sadhu, de heilige man die op zijn hoofd staat of met zijn penis een auto voorttrekt, komt vol in beeld. Dat is voor de kijkers en lezers voldoende, India is weer eens het oude land van rampen, oorlogen en tovenarij.

Zelf vind ik het ook niet interessant wat het voor de biddenden betekent. Ieder heeft zo zijn eigen verhaaltje en geloofje, maar daarom vind ik de gekke sadhu ook niet relevant. Als je geen zinvolle betekenis kunt geven aan een verschijnsel, laat dat verschijnsel dan met rust, om het in de geest van Wittgenstein te zeggen.

Sommige onderwerpen hebben een overduidelijke relevantie, maar zijn zo complex dat ze nauwelijks in 700 woorden of 9 minuten te vertellen zijn. Een verre-landen-correspondent, zoals dat heet, een journalist in India of Kenia bijvoorbeeld, heeft het moeilijker dan een journalist die schrijft vanuit Duitsland of de Verenigde Staten. De culturen van die landen lijken op die van Nederland, de problemen zijn vergelijkbaar en die landen zijn zoveel dominanter aanwezig in de pers dat de lezer niet het gevoel krijgt middenin een langlopend feuilleton te vallen.

India is gefragmenteerder aanwezig in de media en de schrijver moet het geheugen van de lezer zo grondig opfrissen dat dat alleen al de eerste 500 woorden verslindt. Blijven 200 woorden over die nota bene in het krakkemikkige referentiekader van de lezer moeten `passen', willen ze niet als absurd of bizar worden afgedaan.

Sommige journalisten doen het opzettelijk: het is allemaal zo ingewikkeld dat je het beter kunt versimpelen en overdrijven, zoals Alex Perry van Time Magazine vorig jaar deed. Hij schreef dat premier Atal Bihari Vajpayee een stevige drinker was, met nier- en leverproblemen, dat hij onder de pijnstillers zat en daarom een drie uur lange middagslaap nodig had. Ook tijdens vergaderingen doezelde hij in, en als hij dat niet deed, sloeg hij wartaal uit. En zo'n man staat aan de knop van een atoommacht! Perry had zijn informatie van `westerse diplomaten', wat veelzeggend is. Over het algemeen, en zeker in instabiele landen met kernwapens, hebben diplomaten geen enkele vrijheid van spreken, zelfs niet anoniem. Elke journalist weet daarom dat `westerse diplomaat' in de Derde Wereld een codewoord is voor onbetrouwbare bronnen of zelfs rechtstreeks uit je duim zuigen.

Maar los daarvan: Perry definieerde leiderschap, en de fysieke vitaliteit die daarbij hoort, in Amerikaanse termen. In de VS laten presidenten zich graag fotograferen terwijl ze aan het hardlopen zijn en is het een afgang als de president zich tijdens een maaltijd onwel voelt. Elke lichamelijke aandoening, of het nu een hartkwaal is of chronische constipatie, heeft in het westerse geloof invloed op het verstandelijke vermogen.

In India is het functioneren van de geest veel minder sterk gekoppeld aan dat van het lichaam, zoals blijkt uit de wijsheid die men de oudsten van de samenleving toedicht, of uit het levensinzicht dat men toeschrijft aan het getormenteerde lijf van de yoga-beoefenaar.

Democratie werkt ook anders in India: de minister-president is de eindverantwoordelijke bij een zware beslissing als het gebruik van atoomwapens, maar hij dient zijn oordeel te baseren op adviezen van een gigantisch aantal deskundigen, wijsgeren, intellectuelen, wetenschappers en hoge priesters. Misschien doezelt de premier wel eens in, maar dat is in India geen schande, eerder een uiting van rust en het vermogen tot innerlijke meditatie en reflectie. Al deze informatie is niet alleen doodvermoeiend voor de westerse lezer, maar bovendien weinig spectaculair.

Het verhaal gaat nog verder: toen India in 1998 een nucleaire test uitvoerde, reageerde gans de wereld – wat een ander woord is voor het machtige westen – verontwaardigd. Er volgde een economische boycot en de bevriezing van ontwikkelingsrelaties. Niemand kan het daar oneens mee zijn, maar hoe ingewikkeld is het niet om te begrijpen waarom India het nucleaire pad opging. Natuurlijk, wegens de dreiging van de twee buurlanden, Pakistan en China. Maar veel en veel meer om de wereld (lees: het westen) te vertellen dat India geen hopeloos en hulpeloos derdewereldlandje is waarmee op bevoogdende wijze kan worden gesold. De Indiase atoomraket staat niet zozeer voor massamoord, alswel voor massatrots, waardigheid, de wens om serieus te worden genomen en niet steeds te worden vergeleken met een sullige olifant.

Heeft het gewerkt? Jazeker. Is het te begrijpen dat een land trots wil zijn en waardigheid nastreeft? Absoluut. Hoe moeten we dan over de kernproeven schrijven? Mijn collega's kiezen, net als ik, voor de makkelijkste weg: pacifistische verontwaardiging.

Als ik nu weer aan mijn dagboek zou beginnen, als ik de klok drie jaar terug zou kunnen draaien, zou ik niet de wens hebben om de Titanic op te tillen, ik zou die niet eens een zetje proberen te geven. Verre-landen-correspondenten moeten niet de wens koesteren spectaculaire verhalen te schrijven. De wereld heeft al genoeg spektakels en elk spektakel is wat het is: theater. De spelers zijn de inwoners van de verre landen, maar de regisseur is immer de westerse correspondent en dat is – dat willen we graag vergeten – zijn vak noch zijn taak.

Dat de grote verhalen dood zijn, daar hebben we mee leren leven sinds het postmodernisme van alweer lang geleden. Geen `isme' snijdt nu nog hout. Kapitalisme en anti-kapitalisme, communisme en anti-communisme zijn goed en wel gecremeerd en de as is al over de vervuilde Ganges gestrooid. Nu moeten we nog de grote woorden cremeren, woorden als geloof, ontwikkeling, democratie, liefde, verdriet, geluk, het onderbewuste, volk, aard, economische groei, verdeling en nog zo het een en ander.

Zeker in een land als India betekenen die woorden zo iets anders dat het zinloos is om aan te komen met `Indiase democratie', `Hindoe-onderbewuste', `Brahmaanse liefde'. Met een groot begrip wil je een heleboel bekend veronderstellen en woorden sparen, maar je krijgt slechts misverstand op misverstand op misverstand.

Natuurlijk wil de krant soms harde cijfers over de economische groei. Die staat in India op 5,6 procent per jaar. Hoe ze aan dat cijfer komen? Het is het gemiddelde van de schatting van de belangrijkste economen en bedrijfsmanagers, waarbij de schatting van de Wereldbank extra zwaar wordt gewogen. 5,6 procent klinkt dus mooi en exact, maar je kunt de bron net zo goed omschrijven als een `westerse diplomaat'.

Over India kun je letterlijk alles zeggen, het berust altijd op evenveel waarheid als onwaarheid (waarbij ik nu even niet de aanstellerige waarheid bedoel als die bij de postmodernisten, in de zin van ieder voor zich, maar de ouderwetse waarheid van iets dat valt te staven). Als ik zeg dat het hindoeïsme 250 miljoen goden kent, is dat even waar als wanneer ik zeg dat het hindoeïsme in feite monotheïstisch is, omdat al die goden verschijningen zijn van hetzelfde.

Het ligt er dus maar aan wat je het mooist vindt klinken. Het ligt eraan welke schoonheid het aan taal oplevert. Als je gevoel voor humor hebt, zoek je de grappige feiten, en als je wat melancholisch bent aangelegd, zoek je de sombere gebeurtenissen. De ene journalist is gefascineerd door wat de mangoman verdient, de ander door de vraag waarom hij telkens aarzelt.

Wat niet wil zeggen dat het allemaal maar willekeur en schijn is: het moet wel waar zijn. Als tijdens de godsdienstrellen van Gujarat vorig jaar 2.000 moslimmannen, -vrouwen en -kinderen zijn vermoord, dan zijn het er 2.000, en niet de 1.200 die de overheid opgeeft.

Willekeur is geen vrijbrief om te liegen. Liegen is meer iets voor de politiek, journalisten hebben daar geen reden toe. Het enige kwaad dat een goede journalist kan verrichten is het vertellen van de halve, dus ongecompliceerde en meer spectaculaire waarheid, en dat is, zoals ik al eerder zei, al kwaad genoeg.

Relevant maken wat niet relevant lijkt, en gecompliceerd maken wat eenvoudig schijnt, dat is misschien wel de opdracht van een verre-landen-correspondent. De correspondent moet niet de illusie koesteren dat hij of zij de enige bron van informatie over het verre land is. Er is zin en onzin van CNN en BBC, van documentaires en journaalfragmentjes, National Geo-graphic en Discovery Channel, sommige mensen lezen zelfs buitenlandse kranten en bladen en gaan het internet op.

Wat de verre-landen-correspondent te doen staat is het maken van een bedje waarin al die feitjes en stukjes waarheid terecht kunnen. Hij moet een sfeer creëren, niet van absurditeit maar juist van normaliteit. Hij moet het `eigen-aardige' aardig maken, de lezer vertrouwd laten raken met al het rare in de wereld, en als je het goed en komisch opschrijft, is het zo raar nog niet.

Oppervlakkigheid, gemakzucht en mooischrijverij zullen de eerste complimenten zijn die zo'n correspondent ten deel vallen. Diepgang wordt namelijk gevonden door te wroeten in ordeloze en chaotische archieven, door achter arbitraire en onverifieerbare cijfers aan te hollen, door dagen lang te zoeken naar twee boeren die het meest voor de hand liggende verklaren: dat het vervelend is dat er mijnen op hun akker zijn aangebracht.

Er is niets tegen voordehandliggendheid, maar kijk dan ook rond om het voor de hand liggende waar te nemen. Kijk, inderdaad, naar wat er te zien valt: kijk naar de oppervlakte en schrijf het zo dat de lezer het gevoel krijgt er bij te zijn geweest. De lezer moet het gevoel krijgen dat het hem of haar ook was opgevallen dat de mangoman iedere keer aarzelde. En de correspondent is ervoor om dat aarzelen uit te leggen. Het uitleggen van de aarzeling van een dove mangoman, het is antropologie van de straat, veredelde anekdotiek, toerisme in onthaaste vorm; het is waar, allemaal waar. Maar wat is er op tegen?

Natuurlijk moet je schrijven over terroristische aanslagen en rampen. Maar zelfs dat kan worden opgeschreven als antropologie van de straat, als onthaast toerisme. De eerstvolgende mogelijkheid is het parafraseren van wat de BBC op internet heeft staan. We hebben het allemaal wel eens gedaan, zelfs de BBC schrijft iets over, en hoe meer journalisten overschrijven, hoe relevanter het nieuws wordt.

Zo was er een geval van een moslimmeisje in Gujarat dat door een hindoemeute levend werd verbrand. Alle westerse journalisten leken erbij te zijn geweest, zo gedetailleerd werd het overal beschreven en op journaals verteld. En als je het uitrekent, moeten er meer journalisten ter plaatse zijn geweest dan fanatieke hindoes. En wat cameralieden durven uithalen – ,,zeg het nog eens'', ,,doe het eens over'', ,,wacht even, het licht is weg'' – dat weet men intussen wel.

De beste correspondent is de eenzame correspondent. De correspondent die zich niet al te zeer laat leiden door nieuwswaarde en belangwekkendheid, de correspondent die ook zijn eigen waarneming en fascinatie volgt. Of desnoods achter alle andere journalisten aanholt, maar die dan niet dezelfde richting op kijkt. Er naast kijken, dat is in drie woorden wat ik bedoel. En ik wou dat ik dat drie jaar eerder had geweten.

Dit is het laatste artikel van Anil Ramdas als correspondent in India.

Zijn column op de opiniepagina blijft hij schrijven.