Gnostiek

Naar aanleiding van het interview met professor Quispel (`Alles om de goddelijke vonk', W&O, 2 augustus) zou ik twee opmerkingen willen maken. Quispel verwijst in zijn gesprek met Hendrik Spiering naar de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 12:13-16. Daar zou worden beschreven hoe een meisje geconfronteerd werd met haar engel, ofwel haar hogere Zelf. Als zij namelijk meldt dat de apostel Petrus voor de poort staat, wordt haar volgens Quispel te verstaan gegeven dat dat Petreus niet is, ``maar alleen maar je beschermengel''. Mogelijk baseert Quispel zich op een gnostische variant van Handelingen. In de gangbare tekst staat echter dat het meisje, de slavin Rhode, niet geconfronteerd wordt met haar eigen engel, maar met de engel van Petrus. ``Het is zijn engel'', kreeg zij te horen toen ze meldde dat Petrus voor de poort stond.

Een tweede opmerking betreft Goethe. Quispel noemt hem een gnosticus. Het is de vraag of deze kwalificatie bijdraagt tot een begrip voor het unieke van Goethe. Het gnosticisme is, zowel in de dualistische als in de monistische vorm, in hoge mate speculatief. Een ander kenmerk van veel van het gnostisch gedachtegoed is de negatieve waardering van de materie. Materie, zelfs de gehele kosmos wordt niet zelden gezien als godverlaten, want voortkomend uit het boze.

Zowel het speculeren als de negatieve houding ten aanzien van de materie was Goethe vreemd. Dat bewijst zijn wetenschappelijke werk, waaruit blijkt dat zijn denken voorwerpelijk was en niet gericht op theorievorming. Door intensieve studie van de zintuiglijk waarneembare wereld trachtte Goethe het wezenlijke, het ideële zoals het werkzaam was in de stof, te begrijpen. Daarmee stond hij meer in de aristotelische dan in de platoniserende gnostische traditie.