Gezicht van de kernfusie

Met scherpe analyses en grote kennis van zaken bepleitte Kees Braams bijna een halve eeuw het onderzoek naar kernfusie. Vorige week is hij overleden.

Kees braams, die vorige week dinsdag op 78-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed, was sinds mensenheugenis het gezicht van het Nederlandse kernfusie-onderzoek. Onvermoeibaar, strijdlustig en met groot gezag bepleitte hij het wetenschappelijk onderzoek naar de toepassing van deze energiebron, ook toen bleek dat de weg naar een werkende fusiereactor lastiger was te vinden dan menig fysicus veertig jaar geleden dacht. Tegenstanders van kernfusie hadden aan Kees Braams een kwaaie.

Cornelus Marius Braams groeide op in 's Hertogenbosch. Na de oorlog studeerde hij wis- en natuurkunde in Utrecht. In 1952, het jaar van zijn afstuderen, deed hij van zich spreken met onderzoek naar het fameuze `tippe-top' tolletje. Dat oogt als een champignon en steunt in rust op zijn bolle hoed. Maar eenmaal aan het draaien gebracht beweegt het steeltje langzaam opzij en komt de tol op een gegeven moment op de steel te draaien, de andere kant op. Braams kreeg zijn verklaring van het verschijnsel gepubliceerd in Nature.

In 1956 promoveerde Braams in Utrecht cum laude op een kernfysisch onderzoek, waarvoor hij in Amerika twee jaar experimenteel werk deed op het Massachusetts Institute of Technology. Vervolgens was hij betrokken bij de oprichting van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen, in Nieuwegein. In 1958, het jaar dat op de tweede `Atoms for Peace'-conferentie in Genève de kernmachten hun onderzoeksresulaten naar kernfusie (het verschijnsel waarbij twee atoomkernen samensmelten tot een zwaardere, onder vrijkoming van energie) in de openbaarheid brachten, ging het van start.

Donut

Op het landgoed Rijnhuizen verrezen laboratoria waar gewerkt werd aan het tot stand brengen van een fusiereactor met de vorm van een enorme donut, Tokamak genaamd. Braams, een van de leidende figuren in het Europese kernfusie-onderzoek, was tot zijn pensionering in 1987 directeur en daarnaast buitengewoon hoogleraar plasmafysica in Utrecht. Onder zijn bezielende leiding is een lange reeks van promovendi opgeleid.

Braams was een gepassioneerd fysicus, kritisch, scherp in zijn analyses en naar buiten tredend met bravoure, branie en strijdlust. Politieke correctheid was hem vreemd en altijd stond hij klaar het debat aan te gaan, met collega's op het instituut of met tegenstanders van fusie in de buitenwereld. Rationeel redeneren was heilig. Vanuit een solide uitgangspunt stug doorredeneren tot een onontkoombare conclusie, dat was zijn stijl. Wie op vage gronden daar niet aan wilde, was niet jarig en met onzorgvuldig of onzindelijk denken kende hij geen genade.

Diezelfde houding maakte Braams ook tot een bestrijder van pseudo-wetenschap, al helemaal als het om kernfusie ging. Toen in de jaren tachtig de Zeeuwse astrofysicus en natuurkundeleraar Geert Dijkhuis in een oude loods vol accu's bolbliksems wilde opwekken om daar via kernfusie energie mee op te wekken, trof hij een geërgerde Braams op zijn weg. Braams noemde zijn opponent `een kwakzalver' en `een illusionist' en toen het hem te gortig werd, schreef hij een tegenbrochure waarin hij van de ideeën van Dijkhuis gehakt maakte: `Het kronkelige pad van een bolbliksem'. Met lede ogen zag hij aan hoe zoiets kon doorzieken, `bij pathologische wetenschap is eerder sprake van slijten dan van genezen', zei hij in zijn Holstlezing van 1990, `en soms vindt de ontdekking tenslotte een onderkomen in een mystieke traditie, waarbinnen dan vijftig jaar later nog in diepe eerbied over dit belangrijke pionierswerk wordt gesproken'. Geen wonder dat Braams actief was binnen de vereniging Skepsis, en daar een lans brak voor een meer wetenschappelijke benadering in de bestrijding van het kwaad der pseudo-wetenschap.

Vredenburg

Op terreinen buiten zijn vakgebied mocht Braams zich graag in discussies mengen. Hij ergerde zich aan het ontwerp van muziekcentrum Vredenburg, omdat bij een optreden van een groot symfonieorkest een groot deel van het publiek zich achter de solisten bevond. In een discussie over geloof en wetenschap vond hij dat fysici zich bescheiden moesten opstellen: binnen hun eigen werkterrein mochten de natuurwetenschappen geen serieuze concurrentie hebben, `daarbuiten hebben ze geen gezag'. Geestig was zijn idee de 19 windmolens bij Lelystad, `een verwarrend beeld van twee- en driewiekers', in de pas te laten lopen. Of, `gereserveerd voor nationale feestdagen' een wave te laten maken, het `absolute hoogtepunt van de windcultuur'.

Na zijn pensionering zette Braams zich aan het schrijven van de geschiedenis van het kernfusie-onderzoek: Nuclear Fusion, Half a Century of Magnetic Confinement Fusion Research. Vorig jaar was het af. Tot aan zijn dood kwam hij enkele dagen per week naar `zijn' Rijnhuizen, waar hij in het koetshuis een kamer had. Onvermoeibaar zette hij zich in voor het behoud van hetkernfusie-onderzoek in Nederland, ook nadat de tokamak-reactor in Rijnhuizen in 1998 was afgebroken, en zocht de discussie met politici en organisaties die de fusie in de ban wilde doen. Om te ontkomen aan de wensdroom van de kleinschaligheid en de nachtmerrie van het ongelimiteerd verstoken van fossiele brandstoffen eiste hij ruimte voor een grootschalige, technologisch complexe techniek die geen broeikasgassen produceerde, ook al was de economische haalbaarheid nog niet bewezen. Wilde de internationale fusiereactor ITER, een miljardenproject waaraan sinds kort ook de Amerikanen en Chinezen meedoen, kans maken, dan moesten fusie-onderzoekers minder aardig doen, zei hij onlangs op een bijeenkomst van kopstukken van het Europese fusieprogramma. `We have to be mean, we have to fight dirty and kick them in the pants.'