Geofferde geiten

Joop Koopman waarschuwt: ,,Vandaag loopt er een proef met geiten af. Dat betekent dat er dode geiten in het gebouw zijn. Kun je daar tegen?''

,,Ik ben wel eens op een boerderij geweest'', zeg ik. ,,Ik ben zelfs in het slachthuis geweest.''

,,Dan gaan we naar de afdeling grote dieren'', beslist hij. ,,Daar zitten trouwens ook kleine dieren.''

Van origine dierenarts, sinds 1990 directeur van het Centraal Dierenlaboratorium (CDL) van het UMC St. Radboud in Nijmegen. ,,We werken hier met vijftig mensen, allemaal met één drijfveer: wij geven om dieren.''

Na bezichtiging van enkele volledig geoutilleerde operatiekamers, die er inderdaad uitzien als volledig geoutilleerde operatiekamers, gaan we een lange gang in. Links en rechts, als de kamers in een hotel, liggen de dierenverblijven.

,,Hier lopen 220 projecten'', zegt Koopman. ,,Wij huisvesten en verzorgen zo'n 14.000 dieren.'' En daarbij zijn de muggen van het malaria-onderzoek nog niet eens inbegrepen.

Muizen en ratten natuurlijk (samen 97 procent van het totaal), en konijnen, honden (beagles), kippen, een resusaap, een groep marmosets (penseelaapjes) en nóg een paar honden (labradors).

Bij die marmosets: ,,Die passen nog net in de opening van de NRM-unit die we in de kelder hebben staan, 12 centimeter geloof ik. Met dit apparaat kun je een enorm magnetisch veld opwekken. Met dit apparaat kun je zachte weefsels en fysiologische processen zichtbaar maken zonder een dier te doden.''

En bij die labradors: ,,Die hebben we uit Amerika gehaald. Zij zijn dragers van de ziekte van Duchenne, maar zelf niet ziek. Hiermee gaan we dieren fokken die wél door de ziekte zijn aangedaan, dat zal nog wel een jaar of wat kosten. Dan zullen er beenmergtransplantaties worden gedaan.''

Met deze honden is in principe niets mis. Ze begroeten je zoals elke labrador je begroet. Ze zouden, na gedane arbeid, zo met iemand mee naar huis kunnen. Maar dat is een uitzondering. Bij vrijwel elk onderzoek biedt het protocol maar één uitweg: de dood.

Kleine dieren worden gedood met kooldioxide. Metingen en analyses, zoals je die hier kunt verwachten, geven dit als de zachtst denkbare oplossing aan. Bij een geringe toevoeging van zuurstof treden er zelfs geen benauwdheidsverschijnselen meer op. Ze stikken niet, maar sterven door een plotselinge verzuring van het spierstelsel.

Grote dieren krijgen een spuitje, dat wil zeggen twee spuitjes: het eerste om het bewustzijn, het tweede om het hart uit te schakelen. Zo gaat het met je hond bij de dierenarts, zo gaat het met de geiten in het dierenlaboratorium.

De ene verzet zich nog tegen de slaap, de kop een weinig opgeheven, de ogen loom. De andere is al vertrokken. ,,Geofferd'', zegt de betrokken verzorger. Niet gedood, niet afgemaakt, geofferd. Niet om iets toe te dekken, niet om ergens een draai aan te geven, maar omdat dit is wat je in zo'n geval zegt: geofferd. Past ook bij geiten.

Gave Hollandse geiten, smetteloos wit, de laatste twee uit een serie van zes. Drie maanden geleden zijn er implantaten in hun dijbeen gezet. In de tussentijd hebben ze gewoon in de wei gelopen. Het CDL heeft een boerderij in Overasselt. Toen de Katholieke Universiteit in 1958 een medische faculteit kreeg, werd besloten tot centralisatie van de dierproeven.

Proefdieren werden weggehaald bij al hun afzonderlijke professoren en instituten en in één gebouw, één organisatie ondergebracht. ,,Wat dat betreft waren wij de eersten op de wereld'', zegt Koopman.

De dieren komen uit eigen fok of worden aangekocht. ,,Wij huisvesten ze, wij verzorgen ze en assisteren bij het onderzoek. We hebben biotechnici in huis die heel ingewikkelde ingrepen kunnen uitvoeren, twee meisjes die harttransplantaties bij muizen doen.''

Voorstellen voor dierproeven worden getoetst aan het beleid van de universiteit, aan de bedoelingen van externe subsidieverstrekkers en, uiteraard, aan de bepalingen van de Wet op de dierproeven van 1996.

Koopman: ,,Voor ons kwam deze wet in feite als een bevestiging van de gegroeide praktijk. Bij ons was er al een zekere afstand tussen onderzoek en verzorging. Wij treden natuurlijk niet in de verantwoordelijkheden van de onderzoeker, maar een verzorger kan, in het normale sociale verkeer, best eens zeggen: moet dat nou? Moet die tumor nog verder groeien? Wordt het geen tijd om dat beest dood te maken?''

Ingrepen worden onder narcose verricht, pijn wordt met alle beschikbare middelen bestreden.

,,Jij durft'', vraag ik, ,,ieder dier aan iedereen te laten zien?''

,,Zeker'', zegt hij, ,,maar dat wil niet zeggen dat er nooit eens iemand flauwvalt.''

De wet wil het gebruik van proefdieren beperken, en de economie helpt een handje. De aanschaf van een hond kost al gauw duizend euro, de aanschaf van een aap nog drie keer zoveel. De huisvestingskosten van muizen variëren, afhankelijk van de kwalificaties van de muis, van 0,57 tot 2,44 euro per week. Voor een geit, aangekocht bij de boer, doorgaans een oud beestje, bedragen de kosten 29,90 euro per week.

,,Hiervan'', zegt Koopman, ,,gaat niet alleen een sterke stimulans uit om zo weinig mogelijk dieren te gebruiken, maar ook om zo weinig mogelijk onderzoek te doen.'' Ik neem aan dat hij met dit laatste minder content is.

Het is een intrigerende, in haar consequenties zelfs weemoedig stemmende gedachte dat dierproeven berusten op de evolutionaire overeenkomsten tussen mens en dier.

We zouden van muizen niets te weten komen over kanker als hun immuunsysteem niet overeenkwam met het onze. We zouden van operaties op pasgeboren lammeren weinig leren als hun constitutie niet overeenkwam met die van pasgeboren kinderen. De vezels van het middenrif van ratten komen overeen met die van ons (onderzoek naar ademhalingsziekten) en chromosoom 7 bij een muis komt overeen met chromosoom 19 bij een mens (onderzoek naar spierdystrofie).

We zijn allemaal aan elkaar verwant en het is juist deze verwantschap die dierproeven zinvol maakt. En voor tegenstanders is het ook juist deze verwantschap die de gedachte aan dierproeven onverdraaglijk maakt.

De twee witte geiten zijn intussen, dood, geofferd, naar de operatieafdeling gereden. Ze hebben nu een plastic zak over de kop. Zo lijken het dieren die de aanwijzingen van de Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie hebben opgevolgd. Maar dat wordt gedaan omdat ze soms de inhoud van hun pens opgeven en dat geeft anders zo'n rommel.

Op de achterpoten, bij het kniegewricht, wordt de huid opengesneden. Het dijbeen komt bloot te liggen en daarvan wordt een stukje afgezaagd, niet veel groter dan een pijpenkop. Dat is alles wat we nog van het dier nodig hebben, de rest is eerlijk gezegd afval.

Joop Wolke wijst me de implantaten. Hij is van de afdeling biomaterialen onder prof. John Jansen. Drie maanden geleden is hier en hier (méér ruimte is er niet) een gaatje van 4 millimeter geboord – en vervolgens opgevuld met titanium met een bepaalde coating. We willen weten hoe het bot genezen is, hoe dit materiaal zich hecht.

Waarom bij een geit? Omdat een aap of een hond voor dit onderzoek te duur zou zijn. Waarom in dit stukje dijbeen? Omdat het een structuur heeft die overeenkomt met spongieuze botstructuren in onze bovenkaak (tandheelkunde) en in onze heup (orthopedie).

Wolke zelf is geen medicus, geen bioloog. Hij is chemicus, hij heeft verstand van materialen. Hij had nooit van zijn leven gedacht dat hij met dierproeven van doen zou krijgen.

Hij kijkt, zegt hij, als hij tegenwoordig een geit ziet, maar liever de andere kant op.

Dan voeg ik me weer bij Joop Koopman. ,,Wat een bedrijf'', zeg ik. We lopen terug naar zijn kamer en praten nog wat over Velp, waar ik geboren ben en hij op school heeft gezeten.