Een BMW en een goed salaris

Steeds meer Turken, Marokkanen en Surinamers gaan studeren, maar in het schrijven van een proefschrift stellen ze geen belang. De Hindoestaanse hoogleraar Ruben Gowricharn maakt zich zorgen: `Ze willen schitteren, promoveren past niet in dat plaatje.'

`Mijn zoon gaat naar het Erasmiaans gymnasium, hier in Rotterdam', vertelt Ruben Gowricharn. ``Toen ik hem daar inschreef, zag ik tot mijn stomme verbazing een hele hoop allochtone kinderen. En het grootste deel daarvan waren Marokkanen. Een van die leerkrachten grapte: inderdaad, u ziet het goed, dit is een zwart gymnasium.'

Ruben Gowricharn, van huis uit socioloog en econoom, is sinds vorig jaar bijzonder hoogleraar Multiculturele cohesie en transnationale vraagstukken aan de Universiteit van Tilburg. Daarnaast is hij actief aan de Anton de Kom Universiteit van Paramaribo. Gowricharn constateert dat niet alleen het voortgezet onderwijs `verkleurt', maar dat ook het studentenbestand van de universiteiten `begint te verkleuren'. Ik heb een poosje terug in Tilburg een lezing mogen houden voor een Turkse studentenorganisatie. Er zaten ongeveer 180 Turkse en Marokkaanse studenten in de zaal, van wie een kwart bestond uit meisjes met hoofddoekjes.'

Er is hem iets opgevallen. Er lopen steeds meer Turkse, Marokkaanse en Surinaamse studenten rond op de universiteiten, maar er wordt binnen deze groepen nauwelijks gepromoveerd. Is dat alleen maar een kwestie van tijd? Is hier sprake van een laatste `achterstand' die nog moet worden ingelopen? Volgens Gowricharn is het eerder een gevolg van het succes van deze studenten.

``Als ze horen hoe weinig ze verdienen tijdens het promotie-onderzoek, dat ze vier jaar lang waarschijnlijk op een houtje moeten bijten, dan vergaat hun de lust. Ik denk dat jonge allochtonen die al een beetje in de lift zitten, die het succes hebben geproefd en die zichzelf ook als representanten van het succes zien, de behoefte hebben om dat te onderstrepen. Ze willen schitteren. Een BMW, een mooie vrouw of man, mooie kleding, een goed salaris. Daar zit een stukje overschatting in, maar ook een nadrukkelijke behoefte aan erkenning. Hun ouders zijn vaak gedefinieerd als losers. Dus hebben ze de behoefte om zich te onderscheiden, om nadrukkelijk te laten zien: kijk, ik ben een respectabele allochtoon. Je ziet ze dan ook in driedelig pak rondlopen. Promoveren past niet in dat plaatje. Promoveren betekent dat je nog even gebukt moet gaan, dat je niet direct de schijnwerpers gaat opzoeken.'

Dit gebrek aan allochtone promovendi baart Gowricharn zorgen. Want als er in allochtone kringen maar mondjesmaat gepromoveerd wordt, dan zullen er in de toekomst ook maar weinig allochtone hoogleraren zijn. ``De emancipatie van de allochtonen zal op dat terrein stagneren', zegt hij. Hij probeert hier nu op bescheiden schaal iets aan te doen, door in Tilburg een promotiekamer op te zetten voor allochtonen. Deze zal zich overigens niet uitsluitend richten op de jonge generatie, maar ook op allochtone academici die al wat ouder zijn. ``Er zijn twee categorieën die wel willen promoveren. Allereerst de mensen die al iets hebben gedaan, die werken en alsnog zouden willen promoveren. En dan zijn er de vluchtelingen en asielzoekers. Uit die hoek komen veel intellectuelen, die in het land van herkomst misschien al de ambitie hadden om te promoveren of reeds begonnen waren met hun promotie. Die willen dat hier weer oppakken, maar worden geconfronteerd met een aantal problemen. Hun diploma's worden niet erkend. Of de stijl waarin ze schrijven wordt hier niet gewaardeerd. Iemand die Frans is opgeleid, betoogt anders dan iemand die Angelsaksisch is opgeleid. Ook kan het zijn dat de gegevens die ze indertijd hebben verzameld, verouderd blijken te zijn. Sommigen zijn ook een beetje geknakt, door hun migratiegeschiedenis of door het verlies van mensen. Je moet ze councellen, ze zijn onzeker, ze zijn hun zelfvertrouwen kwijt, ze zijn te lang weggeweest uit de academische wereld. Dat betekent dat de supervisie van deze mensen een heel andere is dan in het reguliere aio-traject. Het vereist veel meer invoelingsvermogen, sympathie en en peptalk.'

Er hebben zich bij Gowricharns promotiekamer al een aantal kandidaten gemeld. Vooral mensen uit de hoek van de sociale wetenschappen, maar daarnaast ook een enkeling met een technische achtergrond.

Wat was voor uzelf indertijd de reden om te promoveren?

Gowricharn: ``Ik wilde structuur in mijn leven. Ik was werkloos en sliep een gat in de dag. Ik dacht: ik moet wat gaan doen. Omdat ik werkloos was, zocht ik naar iets goedkoops, want onderzoek doen kost geld. Ik woonde toen in Den Haag, niet ver van het Rijksarchief, waar alle koloniale data liggen. Dus ik besloot om daar iedere dag om negen uur naartoe te gaan, om cijferreeksen te verzamelen over de Surinaamse economie. Ik zag daar bepaalde patronen in, liep ermee naar de hoogleraar, we begonnen te babbelen en zo kwam het idee van een proefschrift te voorschijn.

``Terwijl ik bezig was met dat promotie-onderzoek, kreeg ik een baan in Rotterdam als consulent arbeidsvraagstukken van migranten. Daarna ben ik als onderzoeker gaan werken bij de sociaal-wetenschappelijke afdeling van de sociale dienst in Rotterdam. Dus ik ben, zoals trouwens veel Surinamers die ik ken, niet via de reguliere weg gepromoveerd. Ik deed het naast een gewone baan.'

U komt uit een eenvoudig milieu?

``Mijn vader was goudsmid, in Suriname. Ik werkte vanaf mijn zevende jaar mee in de goudsmederij. Op gegeven moment viel mijn vader weg en werd ik de kostwinner. Ik was toen elf. Na school ging ik iedere dag bij Chinezen in Paramaribo werken, voor de kost. Op die manier heb ik mijn mulo-school afgemaakt en daarna ben ik gewoon gaan werken. Pas op mijn negentiende jaar besloot ik havo-staatsexamens te gaan doen, omdat ik verder wilde studeren. De havo heb ik als extraneus gedaan, en autodidactisch. Al die tijd werkte ik in de goudsmederij. Daarna heb ik vwo gedaan, op dezelfde manier. Daarna ben ik naar Nederland gekomen, om sociologie te studeren.'

In uw essaybundel `Andere gedachten' beschrijft u een gevoel dat veel succesvolle migranten schijnen te hebben: dat je je nergens thuis voelt, niet in het milieu waar je vandaan komt en ook niet in je nieuwe omgeving.

``Ik haal daarin ook het proefschrift van Jan Brands aan, uit 1992: `Die hoeft nooit meer wat te leren'. Dat gaat over autochtone academici met laaggeschoolde ouders. Zij kennen dat gevoel ook. Dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om aan je ouders uit te leggen wat je hebt gestudeerd en wat voor werk je doet. Dat de onderwerpen waar thuis over gesproken wordt, je matig interesseren. En dat de onderwerpen die jou wél interesseren, thuis niet worden verstaan. Je wordt een vreemde thuis. Dat is een heel nare situatie.

``En in het nieuwe milieu voel je je ook nooit helemaal op je gemak. Je bent chronisch onzeker. Je weet niet of je de codes goed hebt, je weet niet of mensen je echt aardig vinden. Dus je bent nooit meer thuis, in geen enkel milieu. Maar je leert ermee leven, je went eraan. Jan Brands heeft de levensgeschiedenissen van een aantal van deze mensen gereconstrueerd, vanaf hun kinderjaren. Wat voor soort kind was je? Hoe heb je op school gewerkt? Wat viel je op school op? Eén van de dingen die die kinderen met elkaar gemeen hadden was een groot gevoel voor details. Dat viel mij in ieder geval op, toen ik dat proefschrift las. Ik dacht direct aan mijn eigen goudsmederij, waar je natuurlijk ook heel erg op details moet letten.'

U schrijft in datzelfde essay: Het hoger onderwijs heeft een enorme gelijkschakelende invloed.

``Ja. Je moet bepaalde hebbelijkheden gaan ontwikkelen. Je moet gedisciplineerd te werk gaan, op tijd naar college's gaan, de studie plannen, een beetje concurrerend en individualistisch zijn. Als je een tentamen hebt, kun je de avond daarvoor geen bezoek meer ontvangen. Ook al is het je moeder die voor de deur staat. Dat heeft natuurlijk heel veel invloed op de verdere inrichting van je leven. En zo is het met promoveren ook: je wordt prestatiegericht, je gaat 's avonds doorwerken, want je moet je stukken af hebben. Het is zelfs van invloed op de opvoeding van je kinderen. Proefschriften leveren ook veel echtscheidingen op, wist je dat?'

Voelt u zich thuis in de academische wereld?

``Niet helemaal. Soms komt dat goed uit, omdat ik een beetje afstand wil houden en mijn eigen weg wil gaan., vooral in het publieke debat. In de academische wereld vind je de verbinding tussen het wetenschappelijke en publiekje debat onvoldoende terug, vind ik. Maar soms komt het me niet goed uit, omdat ik aansluiting wil, bijvoorbeeld om samen met anderen onderzoek te doen, en opeens het gevoel heb dat ik op afstand word gehouden.'

Vindt u het onderzoek dat in Nederland naar allochtonen gedaan wordt, te eenzijdig?

``De overheid betaalt alles. Dus wat wordt er meestal onderzocht? De werkloosheid, de armoede. Alles wat geld kost. En hoe je de rust kan herstellen in een wijk, dat soort dingen. De problemen worden gedefinieerd uit het perspectief van de ontvangende samenleving, vanuit de instituties van de ontvangende samenleving. Maar nooit uit het perspectief van de betrokkenen. In die zin is het zeer eenzijdig. Niemand vraagt aan islamieten: maar wat vinden jullie?'

Wat is jullie probleem?

``Ik kom nu af en toe islamitische studenten tegen, die iets willen doen met de islam. Ik probeer ze dan mijn eigen vraagstelling voor te leggen. De vraag: hoe pas je de islam in een democratisch bestel. Dat is een heel actueel onderwerp en het zal de komende jaren alleen maar actueler worden. En ik moet je zeggen, ze zijn er wel gevoelig voor. Daarnaast is er een andere kwestie die me interesseert: de islam in zijn transnationale vormen. Wat voor typen islams hebben we hier? Welke groepen dragen het uit? Welke aanpassingsprocessen zien we? Hoe beïnvloedt de islam hier de islam in Marokko en Turkije en omgekeerd? Wie zijn de dragers van dat proces? En wat voor consequenties heeft dat voor heel concrete en omstreden kwesties als de man-vrouw-betrekkingen, de kleding, de houding tegenover de westerse samenleving en de waardering van de thuiscultuur. Als ik zo met die islamitische studenten praat, zeggen ze: ja, dat zijn de kwesties. Daar willen ze wel op promoveren. Maar als ze dan horen hoeveel je verdient, ja, dan zijn ze opeens een stuk minder enthousiast.'Ruben Gowricharn zou ook graag in Suriname een interdisciplinair onderzoek willen doen in Suriname. Suriname heeft in de Amerikaanse antropologie de reputatie van een raciaal paradijs: hoewel het land in moreel opzicht is verloederd en grote economische en politieke crises gekend heeft, is het in raciaal en cultureel opzicht altijd vrij stabiel gebleven. Dat is opmerkelijk. Veel landen zouden ontploft zijn. Suriname niet. Dus ik zou graag willen onderzoeken hoe dat komt. Wat zit er in die bevolking dat dat niet ontploft? Hoe is dat historisch gegroeid?

``Voor Nederland zou zo'n onderzoek om twee redenen interessant kunnen zijn. Nederland kan moeilijk met culturele verschillen omgaan. We worden hier onrustig van culturele verschillen. Dan kan het interessant zijn om te kijken naar een land als Suriname, waar de omgang met culturele verschillen vrij relaxed is. Daarnaast is er de historische rol die Nederland in Suriname gespeeld heeft. Nederlanders zijn meesters in het pacificeren. De zuilentraditie is in Nederland zelf een zeer succesvol en ook langdurig project geweest. In de koloniën heeft Nederland het op een vergelijkbare manier aangepakt. Men heeft de verschillende culturen daar ook zoveel mogelijk geïnstitutionaliseerd. Ook in de wetgeving. Dat heeft er mogelijk toe bijgedragen dat Suriname in raciaal opzicht een zeer stabiel land is.'

Gerectificeerd:

In het interview met Ruben Gowricharn (W&O, 9 aug.) zet de van redactiewege toegevoegde vraag `Wat is jullie probleem?' de lezer op het verkeerde been. De vraag veronderstelt dat Gowricharn zelf moslim is, en dat is niet het geval. Hij komt uit een hindoe-familie en zegt `overtuigd heiden' te zijn.