Arseen

Onder de titel `Roestend goud' behandelde Henk Leenaers een van de vele pseudomilieuproblemen, het optreden van natuurlijke `verontreiniging' met arseen van onze bodem (W&O, 2 augustus). Het is duidelijk dat onze milieuwetgeving niet met dit soort problemen om kan gaan, en bovendien, dat het voor volksgezondheid of ecologie helemaal niet relevant is dat er op sommige plaatsen veel arseen in de bodem zit. Arseen, en dat geldt voor alle potentieel toxische stoffen, wordt pas gevaarlijk als het in een vorm voorkomt waarin het door organismen opgenomen kan worden.

Het resultaat van een onderzoek dat wij een aantal jaren geleden in Doetinchem hebben uitgevoerd is veelzeggend. Onder een woonwijk werd een arseenrijke ijzeroerlaag gevonden. We hebben toen de urine van een groep jongens uit die wijk getest op arseen, en dit vergeleken met een controlegroep die niet op arseenrijke grond leefde. De urine van de jongens uit de arseenrijke buurt bleek minder arseen te bevatten dan de urine van de controlegroep! Dit komt doordat door de vastlegging van de arseen in ijzeroer het in het grondwater achterblijvende gehalte aan arseen lager wordt dan elders, en het is deze mobiele fractie die opgenomen wordt.

Overigens zou het sjieker geweest zijn als in het artikel was aangegeven dat de eer van de ontdekking van abnormaal hoge arseengehaltes in sommige Nederlandse bodems en van het mechanisme daarachter toekomt aan de afdeling geochemie van de Universiteit Utrecht, en met name aan drs. Zuurdeeg (zie bijvoorbeeld Schuiling, R.D. en Zuurdeeg, B.W. 1988: Natuurlijke processen als oplossing van milieuproblemen, Milieu, 2).

    • Prof.Dr. R.D. Schuiling