Advocaat zonder toga

In De Oratore is Cicero op zoek naar de ideale redenaar, niet naar de eerste de beste pleiter of een brallende beunhaas of herrieschopper. De ideale redenaar van Cicero is een beoefenaar van recht en politiek, die door zijn woorden elke menselijke emotie naar gelang de eis van de omstandigheden kan opzwepen of doen bedaren.

Cicero vraagt zich vervolgens af of er een eervoller toevlucht bestaat voor een gevierde en luisterrijke oude dag dan rechtsinterpretatie. Ja, is het antwoord van Cicero, ,,want ongetwijfeld is het huis van een rechtsadviseur een orakelplaats voor de hele staat''. De orakelplaats is geen advocaterij. Een juridische redenaar moeten we niet verwarren met een naaktwandelaar in het land der juristerij. Immers die laatste ruilt regelmatig de toga van het recht met de toga van het amusement.

Het recht is allesbehalve amusement. De advocaat, een eventuele orakelplaats, is een ware patriot die zijn staat (rechtscultuur) dwingt na te denken over het behoeden van het recht en het streven naar rechtvaardigheid. Een degelijke advocaat weet derhalve dat er een onderscheid bestaat tussen ethiek en het strafrecht.

Advocaat G. Spong heeft moeite met het hanteren van dit onderscheid. Daardoor is hij weleens geneigd een ethisch-politiek probleem om te bouwen tot een strafrechtelijke casus. Ethiek, politiek en strafrecht vertonen, ondanks hun verschillen, vervlechtingen die het aanbrengen van een scherp onderscheid bemoeilijken. Het is een schemerig gebied, dat zich leent voor misbruik door juristen of moralisten. Het is onze taak als strafrechtwetenschappers met de zweep van rede de advocaten die in het wespennest van juridisch techniek, geld en amusement zijn terechtgekomen, wakker te schudden.

Haatklachten bevinden zich in zo'n schemerige kruising van recht, politiek en ethiek. We zijn nogmaals bij Spong. De haatklacht die Spong namens Fortuyn tegen politici en journalisten heeft ingediend, is ook een voorbeeld van verkwanseling van eigen kwaliteit en aanzien.

Deze haatklacht is gebaseerd op art. 137d van het Wetboek van Strafrecht. Daar wordt, kort gezegd, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, strafbaar gesteld.

Ten aanzien van de term haat zoekt Spong, in zijn aangifte, traditiegetrouw aansluiting bij zijn heilige boek namelijk het woordenboek Van Dale, terwijl de wetgever verwijst naar art. 4 van het Internationaal Verdrag van New York inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Daarin worden de theorieën of denkbeelden genoemd die op een haatdragende wijze uitgaan van de superioriteit van een ras, huidskleur of etnische afstamming.

Misschien beschouwen de vrienden van Fortuyn, advocaat Spong voorop, zichzelf als een ras. Fortuyn is echter niet te kwalificeren als een ras. Men heeft dus niet aangezet tot rassenhaat en rassendiscriminatie. Wellicht kan Spong via Van Dale met succes een rookgordijn leggen voor de leken. Maar de strafrechtgeleerden trappen daar niet in.

Bij dit delict spreekt de wetgever van haat tegen of discriminatie van mensen en dus niet van een individu. Hierover was J. Remmelink, een gezaghebbende strafrechtgeleerde, van mening dat als er specifiek op één bepaald mens wordt gemikt, het bewuste artikel niet van toepassing zal zijn. Toch vraagt Spong in zijn haatklacht aan het OM om, mede door de veranderende maatschappelijke realiteit, de wet zodanig te interpreteren dat ook een individu door deze bepaling strafrechtelijk wordt beschermd.

Spong schreef in zijn aangifte: ,,Het is maatschappelijk dus niet aanvaardbaar een individu niet, maar een groep mensen wel tegen het aanzetten tot haat in bescherming te nemen.'' Dit verzoek impliceert mijns inziens een uitbreiding van het bereik van het misdrijf. Mag het OM of de rechter de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid zomaar verleggen met een extensieve interpretatie?

In deze situatie zouden de burgers plotseling tijdens een strafgeding geconfronteerd worden met nieuwe vormen van strafrechtelijke aansprakelijkheid die niet door een wetgever bij een wet is vastgelegd. Vandaar luidt het legaliteitsbeginsel: Nullum delictum, nulla poena sine praevia lege poenali: Geen delict, geen straf zonder een voorafgaande strafbepaling. Bij het straffen vinden daarom de strafrechtgeleerden dat er een zeer enge interpretatie moet worden toegepast: In poenis strictissima est.

In het strafrecht is derhalve geen steun te vinden voor de door Spong voorgestelde strafrechtelijke uitbreiding van art. 137d, en daarom hebben terecht twee juridische instantie de haatklacht van Spong afgewezen. Dit alles is niet erg onbekend voor iemand die in het strafrecht hoofdarbeid verricht. Hierdoor ontstaat het vermoeden van misbruik van het recht. Wil Spong een nieuw misdrijf creëren, dan moet hij zich tot de wetgever wenden.

In naam van Fortuyn, zonder een schriftelijke dan wel duidelijk aanwijsbare afgebakende machtiging, gijzelt Spong de voltallige redactie van deze krant. Ethici zouden plechtig hebben gezegd: Interpretatio est perversio.

Waarom kleeft een mate van perversiteit aan deze haatklachten? Laten we voor het antwoord bij Fortuyn zelf, dus niet bij zijn broers, evenmin bij zijn gelegenheidsvrienden, te rade gaan. Fortuyn stond voor vrijheid: ,,Ik sta achter wat Voltaire zegt: ik kan uw mening nog zo abject vinden, maar ik zal uw recht verdedigen om die te uiten. Ik ben ook voor afschaffen van dat rare grondwetsartikel: Gij zult niet discrimineren.'' Het afschaffen van het non-discriminatiegebod betekent in het bijzonder het afschaffen van artikelen 137c,d,e van het Wetboek van Strafrecht. Terzijde, ik was het indertijd niet met hem eens.

De vrijheid van het spreken en schrijven is het testament van Pim Fortuyn. Fortuyn wilde het woord als wapen gebruiken. Hier ontstaat een kloof tussen Fortuyn, zijn vrienden en de haatklachtadvocaten. Deze groepen hebben heel weinig talent en missen de noodzakelijke tolerantie voor het omgaan met het woord. Spong is het ambacht machtig waarmee hij zich achter de dijken van een onsamenhangend juridisch verhaal kan verbergen. Dit is geen orakelplaats waarop Cicero doelde. Spong verkwanselt het vrijheidstestament van Pim Fortuyn.