Weg, snel weg van de gele vliegenstrips

De allerlaatste scène uit de roman Nachtwerk van de Tsjechische schrijver Jáchym Topol (1962) behoort ongetwijfeld tot de eenzaamste uit de wereldliteratuur. Twee broertjes, Ondra en Kamil – `de Kleine' – zitten 's nachts op een ijsschots. Ze worden gezocht. Vluchtend naar de Poolse grens zijn ze op deze verraderlijke bodem beland.

Maar dan:

`Kijk, licht, zei de Kleine.

Op de oever, waar het dorp zich moest bevinden, hoog in de zwarte duisternis sprong nu een lichtje op.

Vast mensen met lantaarns, zei de Kleine.

Misschien.

Of die ruimteschepen van jou, ha.

Denk het wel.

Of het valt uit een ster.

Ook dat zou kunnen.'

Er gaat ons een lichtje op – snel terug naar het begin. Daar staan, bij wijze van motto, de openingsregels uit Georg Büchners toneelstuk Woyzeck: `Ja, Ondra. Zie je die lichte streep daar boven het gras?/ Daar rolt de kop 's avonds./ Iemand raapte hem op, die dacht, dat is een egel:/ drie dagen en drie nachten en hij lag op stro.' Ondra. Een streep licht in de verte. Vreemde verontrustende regels. Maar waarom staan ze hier?

Herlezing van de tekst van Büchner levert het volgende op: De soldaat Woyzeck is een atheïst die probeert te overleven in een goddeloze wereld. Hij voelt zich voortdurend bedreigd door grote, onnoembare krachten. Zijn vrouw bedriegt hem. Hij is arm, en om zijn povere inkomen aan te vullen laat hij zich door een arts als proefpersoon gebruiken voor een reeks zinloze, vernederende experimenten. Langzamerhand wordt Woyzeck van zijn menselijkheid ontdaan.

Ook in Nachtwerk vindt er een ontmenselijking plaats. Dit is Tsjechië, zomer 1968, Russische tanks zijn Praag binnengerold. Aan een tijd van openheid en vernieuwing wordt hardhandig een einde gemaakt. Men verliest werk en gezin en wordt gedwongen te vluchten. In een land waar men graag jaagt, wordt nu de jacht op mensen geopend.

Naamloos dorpje

Jáchym Topol, de `Mysticus van Praag', verraste menige lezer door in deze prachtige roman, zijn derde alweer, niet over de hoofdstad te schrijven, maar over een naamloos dorpje op het Tsjechische platteland, vlakbij de Poolse grens. `Dit is een trieste streek, het was vroeger nog triester'. Het is een dorpje als veel andere, grauw en verveeld, waar elke bewoner een verrassend verhaal met zich meedraagt. Heden en verleden lopen door elkaar heen, gesprekken ook, er staan nergens aanhalingstekens. Hallucinaties, heidense rituelen, een oude vrouw die met doden praat. En dan toch weer de aardse kant: de zuiplappen, de ongewenste zwangerschappen, de spanningen met de zigeuners aan de andere kant van de rivier.

In het bos rondom het dorpje leven de geesten. Gevaarlijke wezens die door de verhalen van de dorpsbewoners al eeuwen in leven worden gehouden. Met de komst van de Russen is er ook een reëel gevaar. `Je schijnt bij iedereen zo'n klein zendertje in zijn kop te kunnen boren, zei Milan. Die zendertjes worden door de regering gevolgd. En de regering weet nu alles wat je denkt.' Veel mensen proberen te vluchten – `De halve natie snelt naar de grens' –, maar worden door de politie tegengehouden: `Die achterlijke toestanden een halt toeroepen, het kwaad voor eens en altijd uitroeien, dat is ons nachtwerk.'

Naar dit dorpje worden Ondra en de Kleine toegestuurd. Daar woont hun grootvader en hij wordt geacht voor ze te zorgen, iemand anders is er niet. Hun vader, een Praagse wetenschapper die aan een `kolossale uitvinding werkt' die de wereld zal redden, moet vluchten voor de Russen – `de kameraden hebben belangstelling voor de documentatie van het Patentbureau.' Hun alcoholische moeder is, sinds de verdrinkingsdood van haar dochter, eerder patiënt dan beschermer.

Wrange bijsmaak

Bij hun aankomst in het dorpje, blijkt Opa net overleden te zijn. De jongens worden opgevangen door hun oom Polka, de broer van hun vader die ze nooit eerder ontmoet hebben. `Jullie verstoten oom!' grapt hij. Met Polka kun je lachen, en toch is het vaak geforceerd – met een wrange bijsmaak. `Wel! Men heeft mij ontboden. Ik moet het beheer over het familiebezit overnemen. Over die puinzooi! En ook over jullie. Jullie vader, een wetenschapper zoals hij, heeft hij soms tijd? Jullie papa heeft doorgeleerd, met hem kan ik me niet meten.' Het is het tweede stel broers in dit boek, maar waar Ondra en de Kleine elkaar trouw blijven zal Polka zijn broer opofferen aan zijn eigen vrijheidsdrang.

In het dorp wordt Ondra gauw in de plaatselijke jongensbende opgenomen, maar dat is van tijdelijke aard. Want inmiddels is hun vader ondergedoken en worden de jongens ook gezocht. De bewoners zijn ze liever kwijt dan rijk: `Hun pa de ingenieur zit ergens ondergedoken en wij worden hier opgejaagd.' Tegenover de oprukkende vijandigheid blijft Ondra goed voor zijn broertje zorgen, ze hebben alleen elkaar nog. Hoewel, er is ook nog Zuza, het meisje van de kroeg, verliefd op Ondra en zwanger van Polka. Zuza hoopt ooit via Ondra in Praag terecht te komen: `Ik blijf niet langer meer onder de vliegenstrips rondhangen.' Het is trouwens een beeld dat je lang bijblijft, die gele vliegenstrips vol vliegen aan het plafond van het café. `De vliegen klommen zoemend over elkaar heen, kronkelden in dat slijm, ze wilden aldoor wegvliegen.' Ook voor hen geldt: no way out.

Nachtwerk, vindt de schrijver zelf, is geen donkere roman, maar een roman van hoop. Daarin verschilt hij ook fundamenteel van Büchners Woyzeck. De soldaat was alleen op de wereld, de broers hebben elkaar. Misschien waren het inderdaad redderslampen die ze vanaf de ijsschots hebben gezien. Misschien ontsnapt Zuza wel en redt hun vader de wereld. Iedereen wil vluchten, sommigen zullen het nog halen ook. Anderen zullen ervan blijven dromen. `Ik loop altijd te fantaseren, zei Ondra. In het heelal is leven aangetroffen, met een reusachtig technisch potentieel, ongelooflijke parameters, over! Een nieuw leven, een compleet nieuw leven, snappie? Alles zou dan anders zijn.' En een ijsschots kan nog alle kanten opdrijven.

Jáchym Topol: Nachtwerk. Ambo, 274 blz. €22,90