Slagschaduw van de nederlaag

Bestaat er nog een Palestijnse literatuur? Sinds de Israëlische kolonisatie en de intifada worden de Palestijnse letteren beheerst door verscheurdheid en ballingschap. De mens verdwijnt, het landschap blijft.

Na dertig jaar ballingschap je geboortedorp bezoeken, komt dicht in de buurt van tijdreizen. De Palestijnse intellectueel Sari Nusseibeh haalde onlangs in een interview met Vrij Nederland een bij uitstek Palestijnse wensgedachte aan: ,,Veel Palestijnen willen een reis terug in de tijd maken. Ze koesteren heimwee naar hun jeugd – toen de wereld nog onschuldig en ongerept was.' Welnu, ballingschap doet tijdreizen en stilstaan tegelijk.

Het is het thema van de reisroman Weerzien met Ramallah van de Palestijnse dichter en schrijver Moeried Barghoeti. Barghoeti beschrijft op indrukwekkende en ontroerende wijze de symptomen van een ziekte die hem op de middag van 5 juni 1967 trof en die hem tot nu toe onder meer in Beiroet, Bagdad, Boedapest, Kairo en Amman gebracht heeft. `Je wordt getroffen door ballingschap zoals je wordt getroffen door astma. Voor geen van beide bestaat een medicijn. En dichters zijn er nog erger aan toe, want de poëzie is zelf al een soort ballingschap.' Een van de duidelijkste symptomen van deze ziekte is dat de balling een `telefoonmens' wordt. `Hij leeft van de stemmen die over grote afstanden naar hem toe komen.'

Na dertig jaar vergeefs geprobeerd te hebben aan de benodigde papieren te komen, krijgt Barghoeti in 1996 eindelijk toestemming een bezoek te brengen aan zijn land en zijn familie. De reis wordt als een logboek van de zintuigen beschreven, een objectieve registratie. Omdat Barghoeti geen uitzondering was, maar dezelfde reis maakte die vele andere Palestijnen in het buitenland ten tijde van de Oslo-akkoorden naar hun land maakten, is het boek een algemeen verslag geworden van de Palestijnse ballingschap; een definitie van de Palestijn. Mijn vader en ik hebben in diezelfde zomer exact dezelfde reis gemaakt, en het is vervreemdend te lezen hoe gelijkaardig de indrukken, de ervaringen en zelfs de anekdotes zijn, alsof het geen persoonlijke, maar algemene ervaringen zijn.

Het moment waarop de schrijver voor het eerst in dertig jaar de `paar meter houten planken' tussen Jordanië en de Westelijke Jordaanoever oversteekt is een mooi voorbeeld van Barghoeti's enigszins afstandelijke manier van kijken. Hij kende de verhalen van vrienden die bij deze brug hadden gehuild, oog in oog met hun geboorteland. Wachtend op de emoties – `Is dit een politiek moment? Of een emotioneel moment? Is het een realistisch of een surrealistisch moment? Een moment van het lichaam, of van de geest?' – moet hij vaststellen dat hij niet bedroefd is, niet huilt. `Ik ben je niet dankbaar, onbeduidende, korte brug. Je bent geen zee en geen oceaan. [...] Ik was je dankbaar geweest, als je je op een andere planeet had bevonden, op een plaats die je niet met een oude Mercedes in dertig minuten kunt bereiken. [...] Nee, ik zeg geen dankjewel, kleine brug. Misschien moet ik me voor je schamen. [...] Je bent voor mij net zo dichtbij als sterren voor een naïeve dichter, net zo ver weg als één voetstap voor een verlamde.' `Bezette gebieden' is ineens niet langer de term die in kranten, op televisie, op persconferenties wordt gebruikt, alsof het over een ingebeeld land gaat. Het land bestaat echt, je staat ervoor en je kunt het vastpakken, Israëlische vlaggen of niet.

Wie een overzicht probeert te krijgen van de Palestijnse literatuur en aangewezen is op vertalingen – veelal in het Engels – staat voor een ingewikkelde opgave. Omdat de Palestijnen verspreid over de wereld leven, in totaal verschillende omstandigheden (van Amerikaanse voorstad tot Libanees vluchtelingenkamp) en soms in verschillende talen schrijven, is het aanvankelijk moeilijk een eenheid in de wirwar van stijlen te ontdekken. Maar juist deze verscheidenheid bindt hen. Ballingschap; van Gaza tot Parijs. Dat geldt voor internationaal beroemde grootmeesters zoals Mahmoed Darwiesj en Ghassaan Kanafani, maar ook voor de jongste generatie dichters en schrijvers, waarvan sommigen hun werk enkel nog in tijdschriften voor Arabische literatuur hebben gepubliceerd.

Voor een westerling is nauwelijks te bevatten hoe allesbepalend de jaartallen 1948 en 1967 zijn voor Palestijnen. In 1948 werd de Israëlische staat uitgeroepen en werden vele Palestijnen van hun land verjaagd. Emile Habiebi (Haifa, 1921-1996), een van de grootste Palestijnse schrijvers die in zijn briljante satires vooral de absurditeit van het Palestijnse lot weergaf, laat in zijn prachtige roman De wonderlijke lotgevallen van Sa'ied de Pessoptimist (1974) zijn uit Haifa afkomstige antiheld zeggen: `Die datum zal me altijd bijblijven, hij is de mijlpaal van mijn leven geworden: iets is voor of na 1948 gebeurd.' Moeried Barghoeti daarentegen is geboren op de Westelijke Jordaanoever, die pas tijdens de Zesdaagse Oorlog werd geannexeerd. `Sinds die vijfde juni in 1967 zijn we gedwongen ons leven op te bouwen in de lange schaduw van de nederlaag', schrijft hij. `De nederlaag die nog niet is geëindigd. Die de mijlpaal blijft voor alles wat is gevolgd en wat nog steeds volgt.' Afhankelijk van waar je geboren bent, is een van beide jaren het getal dat je ongeluk bepaalde.

De twee gebeurtenissen die op de moderne westerse samenleving hun blijvend stempel hebben gedrukt, die de westerse mens voor altijd hebben beroofd van zijn gedroomde onschuld, zijn de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Het zijn points of no return gebleken, voorbij welke het onmogelijk is ooit nog terug te keren naar het tijdperk van grenzeloos optimisme en geloof in vooruitgang dat het westen kenmerkte. De poort naar Arcadië-West is voorgoed en met een dubbel slot vergrendeld. De betekenis en de gevolgen van 1948 en 1967 zijn voor de Palestijnen even ingrijpend geweest. Palestijnen stellen zich aan elkaar voor als `Ik kom uit de '67-gebieden' of `Ik ben een vluchteling van '48'. Hun (klein-)kinderen, die in kampen over de grens geboren zijn, doen dit eveneens. Het is een stilstaande, collectieve identiteit.

Palestijnen in Israël leven in wezen als vreemden in hun eigen land. Op de verwoeste dorpen werden nieuwe gebouwd, voor nieuwe bewoners. Ze mogen geen huis, geen grond kopen in `hun' nieuwe, joodse land. Ook van Gaza en de Westelijke Jordaanoever is door de alom aanwezige nederzettingen en het militaire geweld weinig meer over. Boomgaarden, huizen en wegen zijn vernietigd. Sinds de Oslo-akkoorden kunnen de Palestijnen hun steden en dorpen nauwelijks nog uit. Men bouwt ballingschap om hen heen. Ook wat het geschreven woord betreft: de invoer van Palestijnse romans en dichtbundels was altijd verboden door Israël. Er is nauwelijks contact met de buitenwereld mogelijk, en evenmin met het eigen land.

Je kunt duidelijk zien hoe het hoofdthema van de Palestijnse literatuur – het verlangen naar het land van herkomst – is geëvolueerd vanaf 1948 tot de dag van vandaag. En als de hedendaagse literatuur een spiegel is van het huidige Palestijnse volk, dan ziet het er niet goed uit. Wel voor de literatuur, die is vaak verbijsterend mooi. Maar geleidelijk aan heeft zich iets schokkends voorgedaan. Gedurende de bezettingsjaren is de mens als individu uit de poëzie en het proza verdwenen.

Sinds 1948 is de Palestijnse literatuur doordrongen van landschappen met bloeiende amandelbomen, citroenen en jasmijn. Aanvankelijk verwezen die talrijke natuurbeschrijvingen niet naar een vage, utopische staat van onschuld. Nee, het natuurverlangen was juist zeer concreet: de moerbeiboom in het dorp van de schrijver, de abrikozen die hij als kind zelf had geplukt, de bronnen die iedereen in het dorp wist te vinden. In de eerste periode na 1948 is ook steeds sprake van een eenheid tussen de natuur en de personages of de schrijver.

Ghassaan Kanafani (1936-1972) is misschien wel de beroemdste Palestijnse prozaschrijver uit deze periode. Hij stelde naast de natuur nog een ander, aanverwant thema centraal: het kind. Kanafani was zelf leraar. Hij gaf les in een vluchtelingenkamp, waar hij ook zelf was opgegroeid. In veel van zijn verhalen, met name in de bundel Palestine's Children, spelen kinderen de hoofdrol, symbool voor zowel de onschuld van het verleden en hoop op de toekomst. De bevrijding werd gezien als een kwestie van tijd. Kanafani was de eerste Palestijnse schrijver die de term `verzetsliteratuur' gebruikte. Hij beschreef niet alleen de breuk met het verleden, in zijn gruwelijke verhalen over 1948 en de verschrikkelijke situaties in de vluchtelingenkampen. Hij schreef ook over het geweer en de gewapende opstand als redmiddel om die breuk in de toekomst te herstellen. Hij beschouwde de gewapende strijd als middel om een staat van onschuld terug te verwerven, om opnieuw te kunnen beginnen.

Ondanks die politieke bevlogenheid, wilde hij in de eerste plaats literatuur schrijven, geen pamfletten en meestal slaagde hij daarin. `Mijn politieke standpunt komt voort uit het feit dat ik schrijver ben. Voor mij zijn politiek en literatuur een geheel,' schreef hij. Zijn experimentele schrijfstijl gold als voorbeeld in de Arabische wereld. Hij beheerste als geen ander de techniek om chronologie en vertelperspectief binnen een verhaal te verschuiven. De politieke gebeurtenissen zijn aanwezig, maar dienen als decor om fictieve personages en persoonlijke drama's te beschrijven. In 1972 werd de auto waarin Kanafani zich met zijn nichtje bevond opgeblazen door een Israëlische boobytrap. De schrijvers die de Palestijnen een eigen culturele identiteit trachtten te geven, moesten van het toneel verdwijnen.

Mahmoed Darwiesj (Al-Barweh, 1941) is de grootste dichter die de Palestijnen hebben voortgebracht. Zijn werk is over de hele wereld vertaald. Ook hij was begin jaren zeventig een gezicht van het Palestijnse volk. Na enkele jaren huisarrest `mocht' hij in 1973 het land verlaten. Daarom gaat zijn liefdespoëzie vanzelfsprekend over ballingschap:

Ik stal mijn hand weg

toen slaap haar kuste

ik dekte haar dromen toe

keek naar honing achter

twee oogleden en bad

tegenover twee wonderbaarlijke benen.

Ik boog me over haar ononderbroken hartslag

en zag koren over ivoor

en slaperigheid.

Een druppel van mijn bloed huilde, riep

en ik trilde –

de tuin sliep in mijn bed.

[...]

Ik ging naar de deur

en de deur ging open

en ik vertrok en ze sloot

en ook mijn schaduw vertrok achter me.

Waarom ik zeg `vaarwel'?

Van nu af aan

ben ik voor herinnering een vreemde geworden

en een vreemde voor mijn huis.

In veel Palestijnse literatuur wordt de dagelijkse realiteit van het heden als futiel, onbelangrijk weergegeven. Ook na Kanafani bleef dit verbonden aan een toekomstdroom, zij het in weinig talentvolle propagandaretoriek. Maar tegenwoordig grenst zij aan een verpletterend besef van zinloosheid. In 1976 reeds schreef de feministische Palestijnse schrijfster Sahar Khalifa: `Je weet niet hoe wreed de hemel kan zijn. Als de hemel iemand achtervolgt met zijn vloek, dan wordt de dood een onbereikbare wens, die alleen in gelukkige dromen dichterbij komt.'

De bezetting heeft ervoor gezorgd dat de dood in elk verhaal, elk gedicht aanwezig is. Barghoeti beschrijft in Weerzien met Ramallah hoe hij in een vluchtelingenwijk in Beiroet ziet hoe de rouw-affiches met daarop de foto's van de doden, gaandeweg opgaan in het niets, onderdeel worden van een massale, onpersoonlijke dood. `Doordat het er zoveel waren, verdrongen de affiches elkaar van hun plaatsen en werden nieuwe gezichten over de oude geplakt. [...] Ze leken op één enorm affiche voor één martelaar met een heleboel verschillende gezichten. Het was alsof ze allemaal deel uitmaakten van één intense dood.'

Barghoeti's reisverslag zit propvol anekdotes over de mensen uit zijn jeugd. Ontroerende en geestige anekdotes, maar wat ik op den duur pijnlijk vond, is dat het geen echte mensen met een eigen karakter zijn. De mensen die hij na dertig jaar weer ontmoet, zijn herleid tot één voorval in hun bestaan. De schrijver is niet met ze meegegroeid, en zij niet met hen. Als je maar lang genoeg wacht, wordt een herinnering een verhaal, een verhaal een anekdote, en een anekdote een betekenisloos en zinloos iets. Misschien is dat het `halve' leven van de balling, waarover Barghoeti spreekt. Ballingschap is in wezen stilstand, zowel in tijd als in ruimte. Het is geen romantisch mijmeren over de jeugd. Het is niet vooruit komen. Barghoeti heeft een rare reis in de tijd gemaakt. Niemand herkent hem in zijn dorp, zelfs de ouderen niet. Maar er is ook niets veranderd.

Het is onmogelijk de diversiteit van de Palestijnse literatuur onder één noemer te brengen. Maar ergens schrijft Barghoeti dat de politieke gebeurtenissen in zijn leven de persoonlijke kalender verscheuren en de snippers in de lucht verstrooien. Dat is veelzeggend. Er worden door Palestijnen vrijwel geen romans meer geschreven, maar wel talloze korte verhalen van soms niet meer dan tien regels. Prachtige snippers zonder afgeronde personages, van Mahmoed Sjoekair en Nasri Haddjaadj bijvoorbeeld. Het zijn twee schrijvers die opgenomen zijn in een volledig aan de hedendaagse Palestijnse literatuur gewijde editie van het Britse tijdschrift Banipal, die enkele maanden geleden verscheen. (Zie ook www.banipal.co.uk)

De personages van Sjoekair zijn herleid tot eigenschappen. Ze hebben geen namen of gezichten, maar heten: `De vrouw die niet wist hoe haar dag te eindigen', of `De man die haar zei dat hij een zin voor zijn bestaan zocht'. Het verhaal `Afzondering' begint als volgt: `Die man, die zijn been verloor in een bitter gevecht tussen familieleden over iets onbeduidends dat niet de moeite van het melden waard is, eet één maaltijd per dag.' De verhalen van Haddjaadj zijn een wonderlijke mengeling van gruwel en schoonheid, zoals veel Palestijnse verhalen. Ze gaan over honingvijgen èn handgranaten, alsof dat een en hetzelfde is. Palestijnen zijn gek op paradoxen: ze zijn er zelf een.

Eigenlijk zijn het geen korte verhalen. Het zijn proza-gedichten: `Elke ochtend, terwijl het vluchtelingenkamp in diepe slaap verkeert, ontwaak ik bij zonsopgang. Vóór ik naar het toilet ga of een bad neem, doe ik mijn nachtgoed uit en sta ik in mijn herinnering naakt bij de vijgenboom buiten de kamer van mijn grootmoeder. Ik baad mijzelf in de groenheid van zijn bladeren en droog mijn lichaam met het gouden geel van zijn vruchten. Dan kijk ik dreigend naar een honingvijg totdat ze in mijn hand valt. Ik snijd haar in tweeën: de ene helft eet ik en de andere schenk ik aan haar, mijn herinnering, dat ze moge ophouden met mij te achtervolgen.'

Palestijnen zijn dichters bij uitstek geworden. De jongste generatie schrijft nog altijd liefdespoëzie over landschappen, waterbronnen en salieplanten. Maar de meesten hebben alles uit de tweede of derde hand. Ze weten weinig van hun geschiedenis, ze kennen enkel de anekdotes, en het intens verlangen naar hun land dat voor altijd verloren is en zelden wordt bezocht. Ook hebben ze nog steeds de neiging zich te vereenzelvigen met de natuur. Maar het is een doel op zich geworden. Ontmenselijkt, versnipperd gaat de verteller op in de elementen. De mens is een landschap geworden. Daarmee is het einddoel van de bezetting bereikt: de Palestijnse literatuur gaat niet meer over Palestijnen. Ze is universeel geworden en beschrijft de condition humaine.

Mijn god en ik

komen uit één stad

onder een dreigende hemel

dichtbij een geliefde rivier

en uit stof waar mensen werden geplant

en waaruit wolken oprezen.

[...]

Ik spreek zijn naam uit

hij spreekt de mijne uit.

Mijn god en ik zijn vrienden

Als waren we het fruit van een enkele lucht.

Eerst dacht ik dat dit gedicht van Anas al-Ayla (Qalqiliya, 1975), opgenomen in Banipal, surrealistische of symbolistische poëzie was. Dat is het niet. Bij lezing en herlezing van deze zuivere gedichten van leven en dood, onschuld en ellende, begreep ik plotseling waaraan het me deed denken. Psalmen. Hoogliederen. Het verlangen van de mens in diaspora. Het lange verhaal van exodus en ballingschap.

Moeried Barghoeti: Weerzien met Ramallah. Vertaald uit het Arabisch door Richard van Leeuwen en Djûke Poppinga. Bulaaq, 191 blz. €17,95