Op vissen passen

Als ik goudvissen zie word ik altijd een beetje verdrietig. Dat zit zo. Ik moest eens op de goudvissen passen van een oude Duitse dame, die op vakantie ging naar een deftig hotel in Italië.

Goudvissen werden er niet toegelaten. En daarom vroeg die dame of ik niet twee weken voor ze kon zorgen.

Ik ging op de fiets naar haar toe om de goudvissen op te halen. Eerst kreeg ik nog een moorkop en toen ik die op had zette ze een vissenkom op tafel. ,,Dit zijn ze nou'', zei ze trots. ,,Ze heten Wolfgang en Amadeus.'' Met haar wijsvinger tikte ze tegen het glas. De goudvissen keerden zich naar haar om en keken haar droevig aan, alsof ze wisten dat het vertrek van hun bazin naderde. ,,Mooie namen'', zei ik nog. Maar de Duitse dame luisterde niet. Ze had het veel te druk met afscheid nemen van haar troetelvisjes.

Even later liep ik met de kom naar buiten. Ik had een fietsmandje aan mijn stuur gemonteerd om hem in te vervoeren. Het was mooi weer en daarom reed ik via een omweg naar huis. Tijdens die tocht zwommen de goudvissen vrolijke rondjes. Steeds sneller en sneller ging het, alsof ze in een draaikolk waren beland. Toen ik op een keienweg kwam dansten ze op en neer in het water. Het was alsof ze zelf op vakantie waren, in een tropisch zwemparadijs.

Toen ik eindelijk thuiskwam lagen Wolfgang en Amadeus uitgeput op hun zij. Ik strooide wat voer in de kom en zette hem in een hoek van mijn kamer.

Een paar uur later ging ik kijken of de goudvissen al waren bijgekomen van hun avontuur. Maar ze lagen nog steeds op hun zij. ,,Wolfgang! Amadeus!'' riep ik. Maar er gebeurde niets, want ze waren dood. Wat moest ik nu tegen de Duitse dame zeggen?

Een paar dagen voordat ze terugkwam ben ik naar de dierenwinkel gegaan. Ik had de lijkjes van Wolfgang en Amadeus meegenomen. ,,Heeft u twee goudvissen die een beetje op deze lijken?'' vroeg ik aan de dierenwinkelier. ,,Ja hoor'', zei hij en haalde met een schepnet zomaar twee goudvissen uit een aquarium waarin er wel honderd zwommen. De volgende dagen heb ik geprobeerd ze te trainen. Ik tikte steeds maar tegen de kom en zei: ,,Wolfgang! Amadeus!'' Soms draaiden ze zich naar me toe en keken me glazig aan.

Een paar dagen later bracht ik ze naar de Duitse dame – natuurlijk niet op de fiets, maar voorzichtig lopend. De dame was blij weer thuis te zijn, omdat ze haar Wolfgang en Amadeus zo had gemist. Ik zette de kom op tafel en deed net of er niets aan de hand was. Het gezicht van de dame betrok. ,,Oh, nee, oh nee!'' riep ze. Mijn bedrog was uitgekomen. De dame begon te huilen als een orkaan. Het was alsof de wereld verging. Ik vond het zo akelig dat ik stilletjes ben weggeslopen. De oude dame heb ik nooit meer gezien. En op goudvissen passen doe ik niet meer.