Ongehoord geduld

De 18de-eeuwse zilversmid Johannes Schepens legde talloze bijen onder de microscoop om ze tot in het kleinste detail na te kunnen tekenen. Zijn kleinzoon erfde zijn talent.

Soms is de precisie van een boek bijna volledig. Je ziet het voor het eerst, je bladert erin en je ontdekt de royale tekening van niet meer dan een stuk vel met haartjes, in werkelijkheid `zoo groot als tweemaal de kop van een groote spelt'. Onder de tekening staat in schoonschrift een naar de hoogste nauwkeurigheid tastende tekst.

`Het stukje vel: alleen maar bedekt met haartjes aan de eene kant; de haartjes hierop zijn 320 stuks: en elk heeft 130 zijhaartjes; dit is nu op zoo klein stukje: hoeveel duijzende moeten er niet op de hele Beij zijn.'

Je kunt niet geloven dat één man een leven lang dit soort waarnemingen heeft gedaan. En toch is het een studie van Johannes Schepens (1741-1810) over de honingbij, een uitvoerig werk in twee delen.

Zo'n ontdekking doe je niet op eigen kracht. Je wordt erover getipt dat dit microscopisch wonder zich bevindt in de Plantage Bibliotheek van Artis te Amsterdam.

Het ene boek bevat 62 waterverftekeningen die de lichaamsdelen van de bij verbeelden, met steeds een kort onderschrift. In het andere deel, 264 bladzijden dik, is de bij uitvoeriger beschreven en wordt de lezer met een inleiding van tien pagina's op de stof voorbereid.

Volgens een mededeling op een oude envelop in het platenboek lagen de tekeningen eerst los door elkaar. Pas toen ze in het bezit van Artis kwamen, zijn ze gerangschikt en in leer gebonden.

Schepens gaf aan het werk een lange titel, die het werk en de werkwijze overkoepelt: `De groote wonderen Gods beschouwd in het kleine diertje, de honing:bye. Door veele haarer leeden zoo uyt als inwendig met derzelve koleuren door vergrootglazen zeer naukeurig afgetekend voor de oogen te stellen en in het bezonder: het kunstwerktuig de angel in alle zijne deelen onderzogt.'

Hoeveel bijen heeft Schepens in meer dan veertig jaar studie in stukjes gesneden, geprepareerd en onder de microscoop gelegd?

Hij had een zilversmederij in Amsterdam, op de Prinsengracht 168, over de Leidsekruisstraat, dat lees je op een los vel in De groote wonderen Gods... Daar stond ook zijn microscoop. Voor het natekenen van de vergrote lichaamsdelen, van ruggemerg tot netvlies, koos hij sepia, het van de inktvis afkomstige bruin. Bij zijn werk als zilversmid gebruikte hij meer van die vis, het poeder uit de rugplaat, om te polijsten.

Als je de gezichtszenuw of de grote vlerk in het platenboek bekijkt, denk je niet meteen aan een bij. Het oranjebruin doet eerder denken aan het werk van de Amerikaanse schilder Rothko, zo groot is de abstractie. Dezelfde vage kleurovergang, die Schepens met een paar zinnen aan het lijf van de bij koppelt.

`De vlerk bezet met duijzenden voorhaartjes die alle op een kliertje staan.'

`De kleinste ring van 't onderlijf met 2 groote gaaten welke dienen om aan de binnenzijde als door een trechter de lucht door te laten om als op de lucht te drijven en al de kleine gaatjes hebben daar kliertjes.'

`De voorpunten van de angelen: zijnde aan ider zijde voorzien met negen weerhaakjes: doch elke angel heeft die maar aan een zijde: de binnen zijde is glad.'

De vlerk, het onderlijf, de angel, het zijn maar een paar voorbeelden uit een geheel dat zich tegen elke samenvatting verzet.

De bij van Schepens bleef niet onopgemerkt. Hij komt ter sprake in een brief, die de Amsterdamse koopman, graveur en verzamelaar C. Ploos van Amstel op 12 augustus 1796 aan de zilversmid schreef. Schepens was er zo van onder de indruk dat hij de brief bij het originele manuscript bewaarde.

Ploos van Amstel is verrukt van de tekeningen die hij op een avond bij zich thuis, samen met anderen, heeft mogen bekijken. Hij heeft het over `de kunstlievende opwinding van gisteravond, en de beschouwing uwer fraye tekeningen, met zo nauwkeurigheid van kunde als oordeel, door uwe hand vervaardigt.'

Ook in het buitenland ontstond belangstelling voor de bij van Schepens. In de winter van 1808 kreeg hij bezoek van de Duitser Philip Nemnich, die een boek over Nederland voorbereidde. Hij had al gesproken met glasslijpers, goud- en- zilverdraadfabrikanten, koperslagers en ook met verzamelaars van insecten, vlinders en opgezette vogels. Nu was Schepens aan de beurt.

In zijn Original-Beiträge zur eigentliche Kenntnis von Holland (Tübingen, l809) schrijft Nemnich dat Schepens veertig jaar lang ononderbroken aan de ontleding van de honingbij heeft gewerkt. Hij is hoogst nieuwsgierig naar Schepens' levenswerk aan de Prinsengracht, naar `dit monument van een ongehoord geduld'. Het bestaan daarvan moet hem op de een of andere manier hebben bereikt.

Nu hoop je op een blik in het atelier, de Duitser is er niet voor niets naar toegereisd. Waar tekende en bewaarde Schepens de platen, hoe combineerde hij zijn werk als zilversmid met al die ontledingen van de bij, wat is ooit de kiem van zijn obsessie geweest.

Nemnich eindigt z'n ultra-korte beschrijving van het bezoek met een ontnuchtende zin, `een beroerte had de ongelukkige, jammer genoeg, net getroffen.' Het atelier, hij zegt er niets over, en het is zelfs de vraag of hij De groote wonderen Gods... ooit in het echt heeft gezien.

Dan komt er in de Artis-bibliotheek nog iets anders tevoorschijn. Schepens heeft niet alleen de brief van Ploos van Amstel bij het manuscript bewaard. Hij voegde er twee vellen bij, met tekeningen, door zijn kleinzoon gemaakt.

Het eerst vel is aan beide zijden betekend. Je ziet de rand van een dorp bij een rivier, een paar huizen, wat bomen, een brug, met in de verte een kerktoren. Op de andere kant staat hetzelfde dorpsgezicht, uit een iets ander standpunt.

De jongen heeft met potlood gewerkt, onopgesmukt, heel direct, misschien wel aan de rand van Amsterdam. Wat staat daar, `dit heeft mijn kleinzoon G. Wijthoff getekend toen hij 5 jaaren oud was na een schilderijtje', Schepens heeft het er zelf aan toegevoegd. Dus toch binnen, maar waar, bij het kind thuis of in het atelier van de zilversmid?

Over de tweede tekening is Schepens nog preciezer, `dit heeft mijn kleinzoon getekend toen hij 7 jaar oud was'. De tekening stelt twee zeilschepen voor, galjoenen, met opgestoken zeilen. Aan boord is geen mens te bekennen, oorlogsschepen zijn het, dat zie je aan de rij zwarte kanonnen over de lengte van elk schip.

Kindertekeningen van eeuwen geleden, je komt ze zelden of nooit tegen. Ze werden weggegooid, niemand zag er iets in. Op een schilderij van Giovanni Caroto (1480-1546) staat een kind dat iets zeldzaams vasthoudt: een blad papier met een harkerig poppetje, stakige armen en benen, en een ragebol als haar. Caroto heeft z'n voorbeeld natuurgetrouw nageschilderd. Het is de kindertekening van alle tijden, zo zien ze er nog steeds uit.

De kleinzoon van Schepens kon al veel, zeker als je zijn tekeningen vergelijkt met het onhandige poppetje van Caroto. Het dorpsgezicht heeft nog de charme van het eerste, een paar vlugge lijnen, zonder dat je weet wat je doet. De twee oorlogsschepen bevatten veel meer details, de jongen was toen al een paar jaar ouder.

Grijsgroene zeilen, veel vlaggen, met als hoofdkleur oranjebruin. Het boegbeeld van beide schepen is een grappige koning met een staf. De achtersteven ontkomt aan het perspectief, is luchtig naar je toegekeerd, de jongen had er plezier in, dat zie je.

Misschien dat hij de galjoenen, samen met z'n grootvader, in de Amsterdamse haven heeft bekeken. Oorlogsschepen, wat is er mooier, op die leeftijd. Het valt me nu pas op dat de jongen niet met galnoteninkt heeft gewerkt, zoals je zou verwachten. Hij gebruikte ook sepia, dezelfde inkt als zijn grootvader voor de honingbij.

Niet aannemelijk dat hij een potje sepia mee naar het IJ heeft genomen. Hij heeft in de haven wel indrukken opgedaan of er met potlood schetsen gemaakt. Het tekenen van de schepen zelf, dat moet ergens anders zijn gebeurd.

Prinsengracht 168, over de Leidsekruisstraat, daar had Johannes Schepens zijn smidse. Over de Leidsekruisstraat, dat zal wel op de hoek van de Prinsengracht betekenen. Ik loop ernaar toe, het klopt niet, de nummering is daar veel te hoog. Pas later kom ik erachter dat de huisnummers in Amsterdam een paar keer zijn veranderd. Schepens woonde op het huidige nummer 751, tegenover de Leidsekruisstraat, aan de andere kant van de gracht.

De beginstijl is weggerestaureerd, maar je ziet nog wel dat Schepens hier op stand woonde. Het huis maakt deel uit van het rijtje panden 747-757, dat bekend werd als `De vijf werelden'. Het eerste huis, nummer 751, werd in 1701 gebouwd. Er kwamen volgens Het Grachtenboek (SDU, 1991) nog vier huizen bij, met de namen Afrika, Asia, Amerika en Europa.

Het is eind februari 1802. Gerardus Wijthoff, Schepens' eerste kleinzoon, was in die winter 7 jaar oud. Hij kwam vaak in het huis op de Prinsengracht, samen met z'n oudere broer Jan en de tweeling Carel en Floris, ze waren een paar jaar jonger dan hij.

Johannes Schepens stierf op 23 januari 1810, ongeveer een jaar na het bezoek van Nemnich, achtenzestig jaar oud. Gerardus moet nog hebben gezien hoe z'n grootvader aan het laatste deel van De groote wonderen Gods... werkte.

Het boek was al een eind op streek, toen Schepens het in 1796 aan Ploos van Amstel uitleende. De zilversmid kon er geen genoeg van krijgen, ontleedde een laatste bijenpoot en ging verder met het embryo van een vogel, haalde zo nauwkeurig mogelijk vier vliegen uit elkaar en zelfs een vlo.

De werkplaats grensde aan de gracht, dan had je meer licht. Z'n tekentafel stond voor het raam. Daar kreeg ook de jongen een plaats. Een potje met sepia op de tafel, tussen hen in, `het agterhoofd: zooals op plaat 3 doch zo dun of doorscheinend gemaakt als mij mogelijk was: waardoor men ook de vaten van de huid onderscheiden ziet liggen.'

De jongen doopte z'n pen in de inkt. Nu nog het water onder de twee schepen en dat hoefde hij niet uit z'n hoofd te doen. Het waaide hard, maar het vroor niet. Door het raam zag hij in de verte de Leidsekruisstraat en vlak daarvoor het golvende water van de Prinsengracht.

Met dank aan Jip Binsbergen van de Plantage Bibliotheek, Artis, en aan Tijs Goldschmidt.

De Plantage Bibliotheek, Plantage Middenlaan 45, Amsterdam. Open: ma-di 13-16u, woe-vrij 10-16u.