Integreren op school

Tegen het eind van de regeringsperiode van Paars II opende minister Van Boxtel (van Integratie- en Grotestedenbeleid) een discussie over de vrijheid van onderwijs. Stond het bijzonder onderwijs de integratie van allochtone kinderen in de weg? Van Boxtel refereerde aan islamitische scholen waar mogelijk waarden zouden worden onderwezen die haaks staan op de beginselen van de liberale rechtsstaat. Hij doelde ook op de steeds verder toenemende segregatie in het onderwijs, waarbij het openbaar onderwijs veel meer allochtone leerlingen voor zijn rekening neemt dan het bijzonder onderwijs.

Nog voor deze discussie goed op gang kwam was het verkiezingstijd, waarin vooral andere kwesties speelden. Inmiddels hebben wij een kabinet met het CDA als grootste coalitiepartner en een grote christen-democratische fractie in het parlement. De kans dat er nog iets fundamenteels zal veranderen aan het bijzonder onderwijs is daarmee nihil geworden. We zullen het waarschijnlijk tot in lengte van dagen moeten doen met het stelsel dat wij hebben.

In hoeverre dat stelsel integratieremmend zal werken hangt af van de manier waarop actoren in het onderwijsveld, gemeentelijke overheden en rechterlijke instanties ermee omgaan. Wordt er creatief nagedacht over integratiebevorderende maatregelen ondanks het huidige stelsel of houdt men rigide vast aan de principes die ooit hebben geleid tot de invoering van het systeem van bijzonder onderwijs? De Commissie Gelijke Behandeling die zich onlangs moest beraden over het integratiebeleid op twee bijzondere schoolverenigingen kiest helaas voor de tweede benadering.

Geval 1. Een vereniging voor protestants-christelijk basisonderwijs in Ede besloot in overleg met het gemeentebestuur tot een spreidingsbeleid geldend voor de onder de vereniging ressorterende scholen. Per protestants-christelijke basisschool streefde men naar maximaal 15 procent leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands. Die grens was ingegeven door ervaringswijsheid. In een klas van ongeveer dertig leerlingen zijn 3 à 4 allochtone kinderen voor de juf of meester nog goed te doen. De kinderen in kwestie horen de hele dag Nederlandssprekende klasgenootjes en zullen de taal op die manier hopelijk snel oppikken. Ervaring had de Edese schoolvereniging ook geleerd dat witte ouders, als de 15 procentgrens gepasseerd wordt, gaan omzien naar een andere school voor hun kind. De schoolvereniging had enkele van haar scholen zwart zien worden en daardoor zelfs moeten sluiten. De ouders van de Edese leerlingen hadden geen probleem met het spreidingsbeleid, maar het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie en het Anti Discriminatie Bureau Veenendaal wel. Zij maakten er een zaak van voor de Commissie Gelijke Behandeling en werden door die Commissie in het gelijk gesteld. Een spreidingsbeleid was weliswaar in theorie verdedigbaar, zo oordeelde de Commissie, maar dan had de schoolvereniging moeten aantonen dat haar scholen met meer dan 15 procent niet Nederlandstalige kinderen in de klas significant slechter scoorden op de Cito-toets. Nu dit niet het geval was was het spreidingsbeleid onrechtmatig. Sterker nog, de Commissie bepaalde dat de Edese 15-procentnorm ontoelaatbaar was zolang er ergens, waar dan ook, zwarte scholen bestaan waar niettemin kwalitatief goed onderwijs wordt gegeven.

Ter contrast dan nu geval 2. Een vereniging voor rooms-katholiek voortgezet onderwijs in Utrecht hanteert een kledingcode voor haar leerlingen. ,,Kledingstukken die geassocieerd kunnen worden met een niet-katholieke of niet-christelijke levensovertuiging, of strijdig zijn met de goede zeden zijn niet toegestaan. Ook uit het oogpunt van fatsoenlijke omgangsvormen is het dragen van vormen van hoofddeksels binnen de schoolgebouwen verboden. Dit betekent dat onder meer het dragen van een cap, pet, hoofddoekje, burqa, chador, djelleba, niqab niet toegestaan is.'' Het laatste deel van deze kledingcode is een bepaling waarvan ik vermoed dat vele openbare scholen die ook graag in hun reglement zouden opnemen. Openbare scholen mogen dat echter niet van de Commissie Gelijke Behandeling. De Stichting Steunpunt Anti-Discriminatie in Utrecht ontving een klacht van een leerlinge over het hoofddoekjesverbod op haar katholieke school. De Stichting begon een procedure voor de Commissie Gelijke Behandeling, maar verloor. Bijzondere scholen mogen een anti-hoofddoekjesbeleid voeren ter bescherming van hun identiteit, aldus de Commissie. Dat dit ertoe zou kunnen leiden dat hoofddoekje dragende moslima's voortaan aangewezen zijn op islamitische scholen of het openbaar onderwijs is voor de Commissie geen punt van overweging.

Volgen wij de logica van de Commissie Gelijke Behandeling, dan lijken er voor bijzondere scholen twee wegen open te staan. Ofwel zij houden strak vast aan hun protestants-christelijke of rooms-katholieke identiteit. In dat geval mogen zij selecteren aan de poort en kunnen zij zo wit blijven als zij maar willen. Ofwel zij laten hun identiteit los en voeren een open, oecumenisch beleid aan de deur, maar dan moeten zij ook echt iedereen binnenlaten en het risico nemen dat hun school zwart wordt en gesloten moet worden. Een middenweg zoals in Ede werd uitgeprobeerd wordt door de Commissie Gelijke Behandeling niet geaccepteerd.

Als de huidige wetgeving door rechterlijke instanties op deze manier geïnterpreteerd wordt komt er van desegregatie in het onderwijs niets terecht.