Het heilig doel is de gok waard

Nederland heeft een gevarieerd en goedbezocht muziekleven. Maar veel musici worden matig betaald en hun toekomst is onzeker.

In de vijfde aflevering van een serie over aantallen en bedragen in de kunsten: de muziek.

Waar is de tijd dat ouders kinderen op hoge toon verboden `de muziek in te gaan'? Musicus, dirigent en componist zijn inmiddels gerespecteerde, door ouders gestimuleerde beroepen. Maar financieel en inhoudelijk biedt de muziek een ouderwets onzekere toekomst. Op basis van de cijfers is het zelfs ronduit een raadsel waaruit de enorme aantrekkingskracht van het uitvoerend – herscheppend – kunstenaarsschap bestaat. Maar musici zijn niet geïnteresseerd in cijfers. Het heilig doel is de gok wel waard.

Aan de basis van de piramide telt Nederland ruim tweehonderd muziekscholen als voedingsbodem voor professionele musici, hobbyisten (nu naar schatting zo'n 600.000) en concertgangers (ruim 8.000.000 verkochte kaartjes, in alle muzikale genres). Het aantal studenten dat jaarlijks wordt toegelaten tot één van de tien Nederlandse conservatoria is echter vele malen groter dan de beroepspraktijk kan opvangen. Nederland telt nu ongeveer 4.000 conservatoriumstudenten en een totaal van, naar schatting, 50.000 musici in alle denkbare genres. Wetenschappelijk verdedigbaar is zo'n getal niet, want wie tel je mee? Is de steeldrummer onder het Rijksmuseum ook een professioneel musicus? De problemen met het vaststellen van een precieze definitie staan los van de conclusie: Nederland kent veel meer professionele musici dan de markt kan bergen. Een van de gevolgen is dat van alle afgestudeerden aan conservatoria maar een kwart daadwerkelijk uitvoerend musicus wordt. Veertig procent gaat lesgeven.

Jan Geert Vierkant, directeur van het Noord-Nederlands Orkest: ,,De kwaliteit van de studenten die aan de conservatoria in Nederland afstuderen, laat vaak te wensen over. We hebben de laatste jaren de helft van alle nieuwe musici uit Duitsland gerecruteerd. Er zou op de Nederlandse conservatoria meer aandacht aan orkestspel moeten worden besteed.''

Ook het Koninklijk Concertgebouworkest signaleert die tendens en laat orkestleden nu jaarlijks enkele begaafde jonge musici coachen in het verband van een eigen praktijk-`academie'. Adjunct-directeur Sjoerd van den Berg: ,,De academie is opgericht naar goed voorbeeld van de Berliner en de Wiener Philharmoniker die óók veel belang hechten aan `eigen kweek'. In overleg met de conservatoria in Amsterdam en Den Haag hebben we dit jaar vier strijkers geselecteerd uit tientallen aanmeldingen.''

Op de logische conclusie – minder conservatoria, strengere selectie, meer aandacht voor de beroepspraktijk – rust nog steeds een taboe. Een tijdlang werd inderdaad gepoogd de studentenstroom te beperken door de conservatoria te subsidiëren met een zogenaamde lumpsum, maar inmiddels worden de scholen gewoon weer per student betaald.

De musici die wél door een orkest worden aangenomen, wacht een zware baan en een modaal salaris. Een beginnend orkestmusicus verdient in de regio tweeduizend euro per maand. Het Koninklijk Concertgebouworkest (132 procent van de CAO) betaalt na vijftien dienstjaren rond de vierduizend euro. Groepsaanvoerders krijgen meer, maar zijn daarvoor volgens de CAO óók verantwoordelijk voor een cryptische taak als `het bevorderen van de stemming van de instrumenten onderling'. Alleen het salaris van de concertmeester is vrij onderhandelbaar. Maar daarover zei Alexander Kerr, concertmeester van het KCO, eerder in deze krant: ,,Ik reis per strippenkaart, de BMW moet een droom blijven.'' Bij andere Europese toporkesten zou hij het dubbele verdienen, in Amerika met wat geluk zelfs het drievoudige. Zo houdt het systeem zichzelf in stand. Nederlandse talent neemt genoegen met een middelmatig salaris, want de markt is krap en het aanbod overstelpend.

Rijkdom

Nederland geniet internationaal grote faam om zijn in – omvang, spreiding én aanbod – extreem rijke muziekleven. Geen ander land kent een zo diverse en alom geroemde ensemblecultuur, geen land kent een serie zó avontuurlijk en baanbrekend als de Matinee op de Vrije Zaterdag. En in verhouding tot het inwonerstal is Nederland ook met veertien professionele symfonieorkesten rijk bedeeld.

De subsidiestromen en -regelingen voor klassieke muziek zijn net zo complex en wijdvertakt als het muziekleven zelf. De muziek- en muziektheatervoorstellingen (pop, jazz, wereldmuziek en musical meegeteld) worden hier ook goed bezocht, vorig jaar door zo'n 8,4 miljoen bezoekers. Daarvan gingen er volgens OC en W drie miljoen naar de ruim drieduizend door het Rijk gesubsidieerde voorstellingen van orkesten, ensembles en operagezelschappen. Spectaculair zijn in dat licht de cijfers van het Amsterdamse Concertgebouw, dat met 840.000 bezoekers tien procent van het totaal aantal voor zijn rekening neemt, en daarmee de best bezochte concertzaal ter wereld is.

De veel gehoorde klachten over bezuinigingen bij de symfonieorkesten ten spijt, wordt nog steeds het grootste deel van het subsidiegeld voor de Nederlandse podiumkunsten besteed aan de tien orkesten buiten het Muziekcentrum van de Omroep (MCO). Samen kostten de orkesten in 2002 ruim de helft (€53,8 miljoen) van het rijksbudget voor muziek (€103 miljoen). Daarnaast gingen in 2002 dertig miljoen naar opera en muziektheater en twintig miljoen naar muzikale instellingen en ensembles. Daar bovenop zijn er dan nog de gelden van gemeente en provincie, en de incidentele subsidies die worden toegekend door de drie rijksfondsen: het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten (€12,5 miljoen in 2002), het Fonds voor de Scheppende Toonkunst (€1,7 miljoen) en het Fonds Podiumprogrammering en Marketing (€6,1 miljoen). Op elk concert door een Nederlands orkest legt het Rijk gemiddeld vijftig euro per zitplaats toe.

Helaas spreken de getallen niet voor zich. De Nederlandse Opera kreeg in 2002 twintig miljoen én maakt kosteloos gebruik van orkesten – een internationaal unieke regeling. Maar daar staat dan weer een overspannen internationale markt voor de honoraria van dirigenten en solisten tegenover. Bij de orkesten bestaat een onderscheid van dag en nacht tussen regio en stad. Regionale orkesten krijgen naast rijksgeld slechts projectsubsidies van provincie en gemeente. De orkesten in de randstad daarentegen worden structureel gesubsidieerd door rijk én gemeente (40-60 procent). Het Concertgebouworkest en de Nederlandse Opera zijn bovendien officiële `boegbeelden' van de Nederlandse cultuur: als instellingen waarvan het belang de vierjaarlijkse herijking per kunstenplan ontstijgt, krijgen zij structureel extra geld. Het geheel leidt tot een divers orkestraal landschap, met goed bezochte regio-orkesten als het Brabants Orkest (inkomsten €6,5 miljoen in 2002) als het fundament van een piramide waarvan het Concertgebouworkest (inkomsten €16 miljoen in 2002) de top vormt, en dus ook meer eigen inkomsten genereert.

Omroeporkesten

Desondanks is het orkestbestel de laatste jaren flink onder vuur genomen, met de oprichting van het tot nu toe veelbelovend opererende Holland Symfonia uit het Nederlands Philharmonisch en het Balletorkest als voornaamste uitkomst. Wat de situatie troebel maakt, is dat de omroeporkesten (RSO, RFOH, RKO, Metropole) deels buiten het reguliere muziekbestel vallen. ,,De situatie van de omroeporkesten is extreem complex en warrig'', erkent Ben Janssen, directeur van het Muziekcentrum van de Omroep. De omroepen moeten in 2004 €40 miljoen bezuinigen, oplopend tot €80 miljoen in 2007. In een adviesrapport van McKinsey staat dat de omroep twaalf tot zestien miljoen euro kan bezuinigen door het aantal omroeporkesten terug te brengen van vier naar één of twee. In de eerste plaats wijst het mes naar het Radio Symfonie Orkest (kosten: €7 miljoen per jaar) en het Metropole Orkest (ca. €5 miljoen), in laatste instantie wordt ook het Radio Kamerorkest (€3 miljoen) bedreigd. Een eerdere bedreiging van het RSO werd verijdeld door de langverwachte benoeming van Jan Zekveld als centraal artistiek directeur van het MCO en Radio 4. Algemeen directeur Ben Janssen: ,,Het bizarre is dat de overwegingen van de omroep om te bezuinigen op de orkesten op dit moment puur financieel zijn. De inhoud speelt geen rol; niemand heeft het over de onmisbare kwaliteit van de orkesten, die het zich in het algemeen kunnen veroorloven avontuurlijk te zijn dan de reguliere orkesten. En vergeet niet dat honderden werkloze musici óók geld kosten. Het is nooit goed de kunst tegen de kas af te zetten. De een kun je tellen, de ander niet.''

Naast de orkesten ontvangen nu krap dertig kleinere klassieke muziekensembles structurele subsidie. Voor een groot deel daarvan is die steun essentieel. Voor de diversiteit van het Nederlands muziekleven zijn de ensembles óók essentieel – met de internationale faam van ensembles als het Nederlands Kamerkoor, het Orkest van de Achttiende Eeuw en het ASKO/Schönberg Ensemble als klinkend bewijsmateriaal. En toch wringt er iets. Wie regelmatig concerten van sympathieke, hardwerkende ensembles als Nieuw Sinfonietta Amsterdam (2001: 289.000 euro) of het Ives Ensemble (2001: 191.000 euro) heeft bijgewoond, weet dat de recette geen doorslaggevende rol kan spelen in de algehele begroting. En al staat de zaalbezetting los van de intrinsieke waarde van een ensemble, subsidieafhankelijkheid van teveel ensembles lijkt niet wenselijk. Uiteindelijk gaat verbreding ook ten koste van verdieping.

,,Het is de taak van de overheid de kwetsbare kunstuitingen te beschermen'', vindt Andries Mulder, directeur van De Kamervraag, een adviserend `genre-instituut' waar professionele ensemble- en kamermusici terecht kunnen voor advies en begeleiding. ,,Daarom worden er ook relatief veel eigentijdse muziekensembles gesubsidieerd. Prima. Maar die ensembles moeten daarna wél nadenken over manieren om hun publiek te vergroten. Dat schiet er nog wel eens bij in.''

Het is bovendien niet zo dat alle gesubsidieerde ensembles geheel gevrijwaard zijn van inhoudelijke kritiek. Zo is er een veelgehoorde klacht van Nederlandse componisten, die vinden dat een ensemble als het ASKO/Schönberg, met samen krap een miljoen euro in 2001 met voorsprong het best gesubsideerde ensemble, zich te veel richt op de gerenommeerde buitenlandse componisten (Boulez, Ligeti, Stockhausen) en te weinig op de nationale scheppende toonkunst.

Daarbij is het jammer dat klassieke muziek in de Raad voor Cultuur wordt vertegenwoordigd door musicoloog Sieuwert Verster (o.a. voorzitter van het ASKO Ensemble) en slagwerker Renee Jonker, die voor het ASKO/Schönberg ensemble concert-inleidingen verzorgt. Dat goede raadsleden belangen hebben binnen het muziekleven is onvermijdelijk. Dat de twee raadsleden voor klassieke muziek allebei specialisten zijn in één tak van een zo breed spectrum is nodeloos eenzijdig, zelfs al is eigentijdse muziek een verdedigbare prioriteit bij het toekennen van overheidssteun.

De Fondsen

Uitgedrukt in harde getallen spelen de drie muziekfondsen een bescheiden rol in het hele subsidieveld. Toch kunnen juist de fondsen een `speedboat-rol' vervullen in de door de nieuwe staatssecretaris Medy van der Laan beoogde, transparantere subsidiebestel. Daarvoor is in 2002 een voorzet gegeven met de oprichting van een nieuw Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing. Gevreesd wordt dat de kleine podia anders dan vroeger niet in staat zijn aan de subsidie-eisen van het nieuwe fonds te voldoen, en dus zullen verdwijnen; eerder dit jaar articuleerde de nieuwe Belangenvereniging voor Kamermuziek zelfs de angst dat ,,kamermusici een bedreigde diersoort zullen worden''. Maar die angst is ongegrond, vindt Andries Mulder.

,,Er is juist te veel aanbod. Er zijn nu bijna duizend geregistreerde professionele kamermuziekensembles, naar schatting zelfs 1.500. Het gevolg is dat iedereen per saldo te weinig werk heeft. Ik vind het daarom goed dat de Raad voor Cultuur heeft aangegeven ook eens te willen nadenken over `vraag' in plaats van louter `aanbod', al is nog niet bepaald hoe. Het Rijk zou meer moeten investeren in minder, streng zijn voor de middenmoot en dat typisch Nederlandse nivelleren laten voor wat het is. Alleen dan zullen we ook als kamermuziek- en ensembleland weer internationaal gaan meetellen.''

In haar Uitgangspuntenbrief van 1 juli kondigde Medy van der Laan aan dat er, de 19 miljoen euro bezuiniging op cultuur vanaf 2005 indachtig, inderdaad te weinig geld is om alle inhoudelijk en kwalitatief door de Raad goed bevonden instellingen te subsidiëren. Bij de toekenning spelen dus ook andere overwegingen een rol: maatschappelijk belang, inhoudelijke spreiding (,,Niet teveel van hetzelfde'') en regionale spreiding.

En meer aandacht voor de vraag naar klassieke muziek betekent ook dat cultureel ondernemerschap een grotere rol zal spelen. De Kamervraag organiseert met Kunstenaars&CO en het Scholingsfonds voor Kunst en Cultuur daarom dit jaar voor het eerst een cursus beroepspraktijk voor zelfmanagende muziekensembles. Wat leren zij daar? Mulder: ,,Musici moeten actiever zijn. Wie ben ik? Wat kan ik? Wie wil dat horen? Kwaliteit trekt niet meer zomaar publiek. We hebben allemaal hart voor Kunst met een grote K, maar dat mag niet de K van klagen worden.''

De eerdere afleveringen van de serie Kunst in Getal zijn te vinden op www.nrc.nl