Het grote voorbeeld

Alles van Rolling Stone Keith Richards is met overgave geïmiteerd door generaties gitaristen: Keiths riffs, Keiths uiterlijk, Keiths drugs.

Aanstaande maandag gebeurt het. Dan zal het rock & roll-circus van de Rolling Stones ons land binnen rollen om voorlopig niet meer weg te gaan. In tien dagen spelen ze twee keer in het Feijenoord-stadion, een keer in Ahoy', een keer in Vredenburg en twee keer in de Arena in Amsterdam – afgezien van het laatste concert, op 20 augustus, is alles uitverkocht. De Forty Licks-tour begon vorige zomer in Amerika en heeft het hele jaar geduurd. Wereldwijd hebben bijna 3 miljoen mensen de Stones dan zien optreden – waarvan meer dan tweehonderduizend Nederlanders.

En waarom?

Omdat dit misschien de laatste kans is. Voor de lippen van Mick. Om `Satisfaction' te horen.

En om Keith te zien spelen. Tussen al die ouders en kinderen, liefhebbers en nostalgici, staan allerlei muzikanten in spe verdekt opgesteld de kunst af te kijken van Keith Richards. Want meer dan Charlie Watts, Ronnie Wood, Mick Jagger of enige andere nog levende popheld is Keith de man die `rock & roll' een gezicht heeft gegeven. Dankzij Keith Richards is rock & roll niet alleen een soort muziek, maar ook een manier van leven. Dankzij hem is rock & roll niet alleen een zelfstandig naamwoord, maar ook een bijwoord. `Dat was erg rock & roll' of `Zij is te rock & roll voor jou' zijn uitspraken die we zonder Keith niet hadden kunnen doen. Ze slaan op een houding: iemand die `all the way' gaat, rücksichtslos zijn ideeën uitvoert en ergens volledig in op gaat.

Met zo'n houding krijg je het publiek en de collega-muzikanten moeiteloos plat, is gebleken. De afgelopen decennia had Keith volop navolging: Patti Smith modelleerde in de jaren zeventig haar uiterlijk naar haar grote voorbeeld. De laatste paar jaar is het enthousiasme overweldigend. In bijna iedere ruigere band van de afgelopen tijd zitten wel een of meer Keith-lookalikes: Julian Casablancas van The Strokes, Pete Doherty van The Libertines, JC Rees van de nieuwe groep The Warlocks: mager, met piekhaar en een Leger des Heils-outfit.

Er zijn ook muzikale overeenkomsten. De `New Rock Revolution', die allerlei nieuwe rockbands voortbrengt, leunt net zo zwaar op de knerpende riffs van Richards als hij zelf vroeger op Muddy Waters en Bo Diddley. Eens in de zoveel tijd komt er een cd uit waarvan iedereen zegt: die klinkt net zo rauw als de Stones ten tijde van Exile On Main Street – bijvoorbeeld Thank You van Royal Trux (1995) of Screamadelica van Primal Scream (1991).

Sinds Keith betekent rock & roll behalve muziek ook drugs. De combinatie die ooit voor Richards vanzelfsprekend was, is dat voor veel beginnende muzikanten: je maakt muziek en je gebruikt drugs. En met beide ben je grenzeloos. Het aantal muzikanten dat dit voorbeeld heeft gevolgd is groter dan Keith zal willen weten.

Keith Richards is meer dan een idool: hij is een mal. Die mal voldoet al veertig jaar. Veertig jaar! Zullen de trainingspakken en gouden kettingen van de rappers het veertig jaar volhouden? Zal de `nu-metal' van groepen als Limp Bizkit en Korn, met zijn timmerende drums en razende zang over een paar decennia nog te horen zijn?

Het mag dan vertrouwd zijn, het is ook vervreemdend dat het archetypische r&r-monster nog regeert. Dat iedere nieuwe generatie muzikanten zonder aarzelen afdaalt in die helse poel van verleiding en verdoving.

Archetypisch rock & roll-gedrag wordt snel karikaturaal. Al in 1984 maakte regisseur Rob Reiner de film This Is Spinal Tap, over de wereldtournee van een fictieve rockgroep. Op een avond verdwalen de bandleden op weg naar het podium in de kelder van het stadion waar een concert gegeven moet worden. Tienduizenden juichende fans staan te wachten op hun verschijnen, terwijl de stonede muzikanten hulpeloos rondscharrelen tussen de verwarmingsbuizen. Maar ze blijven welgemoed. In groteske hardrock-outfits, zwaaiend met hun gitaren, schreeuwen ze zichzelf moed in: `Rock and roll!'

De rock & roll-excessen van Keith zijn legendarisch. Ten tijde van de opnamen van Exile On Main Street spendeerde hij 7000 dollar per week aan heroïne voor zichzelf, zijn zwangere vrouw Anita Pallenberg en zijn vrienden. De rest van de jaren zeventig bracht hij door in een heroïne-waas, met als gevolg dat Mick Jagger muzikaal en zakelijk de koers van de Rolling Stones ging bepalen. Pas in de jaren tachtig zwoer Richards de drugs af.

Drugsclichés

Maar Keith zou nooit zo'n idool zijn geworden als hij zich niet had weten te verheffen boven de drugsclichés. Hij onderscheidde zich door zijn volledige overgave aan de muziek – zijn toewijding, zijn onderwerping, zijn niets-anders-belangrijk-vinden-dan-dat, zijn volledig opgaan in het mysterie van het geluid en zijn mogelijkheden. Hij was de jonge gitarist die nog tijdens het tanden poetsen op zijn instrument oefende. Voor veel gitaristen is hun instrument wat het blok marmer was voor Michelangelo: het kunstwerk zit er al in maar moet er nog uit bevrijd worden. Dat vraagt om dagen en nachtenlang geduldig bewerken.

Dat opgaan in de eigen muziek is aantrekkelijk en benijdenswaardig: de mens die een schuilplaats vindt in zijn eigen creatie. Ook daarvan is Keith Richards het symbool. Ooit bleef hij negen dagen en nachten wakker om gitaar te oefenen bij zijn geliefde blues-platen (daar kwamen de drugs in het spel). In een interview met het tijdschrift Rolling Stone vertelde Richards vorig jaar dat hij nog iedere dag een paar uur in de kelder in zijn studio zit. Dan neemt hij liedjes op en oefent op zijn gitaar. Want daarin is hij naar eigen zeggen `geen kampioen'. ,,De gitaar is het krachtigste van alle instrumenten. Ik speel iedere dag, want hoe meer je speelt hoe meer je leert. Onlangs ontdekte ik weer een nieuw akkoord en ik dacht `Shit, als ik dat eerder had geweten'. Dat is het mooie van gitaar. Je denkt dat je hem kent, maar hij blijft nieuwe mogelijkheden bieden.

,,Mijn bestaan staat in het teken van zes snaren en twaalf frets. Als het me al niet lukt om alles uit vogelen wat daar in zit, wat voor kans maak ik dan om iets anders ooit te doorgronden?''

Zes snaren met twaalf metalen vluchtheuvels, zie daar de zin van het leven volgens Keith. Nog altijd. En dat is precies de verklaring voor zijn status. Keith Richards is trouw gebleven aan zijn eerste liefde. Hij is de enige rijke rockster die je gelooft als hij zegt dat geld er niet toe doet.

Tegenwoordig woont hij met vrouw Patti Hansen en twee dochters in een landhuis in Connecticut. Tussen twee gitaarsessies door maakt hij graag een tochtje per zeilboot op de Atlantische oceaan of bekijkt hij een boek uit zijn grote bibliofiele collectie. Maar Richards' muzikale gretigheid staat nog op een vergelijkbaar niveau als al die naamloze jonge gitaristen van wie we binnenkort gaan horen. Zij wonen met zijn vieren op een halve etage, eten uitsluitend aardappelen (gebakken, gekookt, puree) en spelen als het koud is met handschoenen aan op hun gitaar, want er is geen geld voor gas.

Zo leefden Keith en Mick in de begindagen van de Stones, in een appartement in World's End, Chelsea. Moeder Richards kwam soms langs met schoon wasgoed en een tas eten. Ze leefden van het statiegeld van oude flessen of gingen proletarisch winkelen in de supermarkt. Een baantje nemen was er niet bij, er moest worden gerepeteerd en opgetreden.

The Rollin' Stones, zoals ze toen nog heetten, waren hongerig en verfomfaaid. Geen wonder dat ze tijdens hun concerten chagrijnig keken. Hun manager Andrew Loog Oldham maakte er hun handelsmerk van. Zo fruitig en vrolijk als The Beatles leken, zo gevaarlijk en opruiend waren de Stones – op foto's, bij optredens en tv-shows. De `duistere blik' werd een vast onderdeel van de rock & roll-mythe.

Een zichzelf respecterende r&r-band lacht niet op het podium. Streng en duister is de code. Helemaal nieuw was die houding niet, zoals te lezen valt in de nieuwe biografie van Chet Baker. In het begin van de jaren vijftig, in de cool jazz, schrijft biograaf James Gavin in De Lange Nacht van Chet Baker, was `cool niet alleen een sound, maar net zo goed een manier van leven'. Jazzmuzikanten mochten tijdens optredens geen uitdrukking geven aan emoties: `Het was niet cool om niet cool te zijn'.

Roes

Rock & roll kan soms werkelijk gevaarlijk zijn. De balans tussen het opgaan in de roes van de muziek en het opgaan in de roes van drugs slaat makkelijk door naar de verkeerde kant. Ook Keith had zijn mindere momenten. In de jaren zeventig, op het hoogtepunt van zijn verslaving, speelde hij zulke beroerde solo's dat Jagger daar sarcastisch op reageerde met `Thanks, Keith, that was amazing'.

Een recent slachtoffer van de rock & roll-mythe is de Engelse groep The Libertines. Nog geen jaar geleden verscheen hun debuut-cd. Een half jaar terug speelden ze in Nederland en draaiden zanger/gitarist Pete Doherty en mede-voorman Carl Bârat op het podium als loopse honden om elkaar heen.

Inmiddels is Pete Doherty slachtoffer van het rock & roll-bestaan waar hij van droomde toen hij vorig jaar nog met Bârat samen in één bed sliep en de hele dag liedjes schreef. Wie afgelopen juni naar de Melkweg ging om The Libertines te zien spelen, keek raar op toen de groep op het podium verscheen. Wat was Pete Doherty dik geworden, en zo klein! Het bleek een wisseltruc. Doherty was vervangen door een niet nader gespecificeerde gitaar-technicus die zijn partijen naspeelde. Op internet verschenen warrige berichtjes waarin hij schold op zijn bandleden en aankondigde voorlopig weg te blijven. Pete had `persoonlijke problemen', meldde de manager; Pete zou in een afkick-kliniek verblijven. Vorige week werd hij gearresteerd toen hij probeerde in te breken in een woning in Londen.

Als The Rolling Stones maandag in de Kuip staan voor 50.000 mensen zal iedereen bedenken dat veertig jaar overleven in rock & roll uitzonderlijk is. En beseffen dat rock & roll niet zo snel uitsterft. Niet zolang `Sympathy For The Devil' haar lokroep is.

The Rolling Stones treden tussen 11 en 20 augustus op in ons land. Voor het concert van de 20ste, in de Arena te Amsterdam, zijn nog kaarten verkrijgbaar.