Glimlachende herborene met een diepe haat tegen blanken

Altijd die brede lach, ook gisteren, toen vijf rechters in Denpasar, Bali, hem ter dood veroordeelden. Alsof het allemaal een geweldige grap is. Alsof hij lak heeft aan `de blanken' in de Balinese rechtszaal – overlevenden, verwanten van zijn slachtoffers, de wereldpers. Maar ook alsof hij nog steeds wil charmeren, zoals hij deed met de meiden uit de desa. Die lach is het waarmerk van zijn ego. De Australische pers noemt hem steevast `the smiling bomber'. Niet als compliment, maar als een streep onder zijn gevoelloosheid.

Amrozi bin Nurhasyim werd op 5 juli 41 jaar. Het is de vraag of hij zijn volgende verjaardag haalt. Zijn advocaten wilden gisteren meteen in beroep gaan tegen het doodvonnis, maar Amrozi voelde daar niets voor. Sinds zijn arrestatie, op 6 november vorig jaar, en zijn bekentenis voor de rechtbank in Denpasar, op 14 juni, liet hij in contacten met de pers weten dat hij klaar is voor de martelaarsdood. Mati syahid, heet dat in Arabisch-Indonesisch: sterven als Gods getuige. Vandaag leek hij echter omgepraat door zijn raadslieden en tekende hij een verklaring die hen machtigt beroep aan te tekenen.

Amrozi heeft het team dat zijn verdediging voerde – moslims die in hem een broeder des geloofs zien – steeds voorgehouden dat hij niet geïnteresseerd is in juridische listen om zijn vege lijf te redden. Hij wist waar hij aan begon, toen hij vorig jaar september in Surabaya de chemicaliën insloeg voor de bommen die op 12 oktober vorig jaar op Bali 202 mensen de dood injoegen.

Westerse zielkundigen beschrijven Amrozi, afgaande op beeldmateriaal, als een `sociopaat'. ,,Die voortdurende glimlach'', zegt prof. David Matsumoto, een psycholoog verbonden aan de Staatsuniversiteit van San Francisco, ,,laat, behalve een reëel ervaren genoegen, geen enkele andere emotie zien, zoals woede, weerzin of angst. Dat genoegen kan zijn ontleend aan aandacht of aan voldoening over zijn daad, ook al is hij opgepakt. Ik zie in die beelden een ontwricht gevoelsleven, de sociopaat eigen.''

Aandacht zal Amrozi niet veel hebben gekregen, als vijfde van de dertien kinderen van het echtpaar Nurhasyim en Tariyem uit Tenggulun, een gehucht in Oost-Java. Vader was 32 jaar dorpsschrijver en moeder verzorgde het rijstveld. Hoewel zijn oudere broer, M. Khozin, in het dorp een islamitisch schooltje bestierde, Al-Islam, gaf Amrozi als jongen geen blijk van een bijzondere religieuze belangstelling. Hij was de enige broer die Al-Islam niet bezocht. Eigenlijk wilde hij niet deugen. Hij maakte met vallen en opstaan de lagere school af en het ter plekke beschikbare vervolgonderwjs, een soort MULO, was niet aan hem besteed. Amrozi had meer belangstelling voor zijn brommer en voor de meisjes van Tenggulun. Hij trouwde drie keer, de derde keer in Maleisië, waar hij in 1985 werk ging zoeken. Hij was er zes maanden los bouwvakker en kwam toen terug. Tegen zijn ondervragers zei Amrozi dat zijn haat jegens bule (`blanken') is gegroeid in de omgang met Australische aannemers.

In 1991 vertrok hij opnieuw, deze keer in het voetspoor van zijn oudere broer, Ali Ghufron. Hij vond hem in een dorpje in de Maleisische deelstaat Johor, waar hij leraar was aan een koranschool en een nieuwe naam had aangenomen: ustadz (meester) Mukhlas. Amrozi werkte in een garage en, omdat hij zich schaamde tegenover zijn vrome broer, las hij in de avonduren wat boeken over de islam. Ali Ghufron vond dat onvoldoende en stuurde Amrozi naar het internaat Luqmanul Hakim. Die school werd geleid door een uitgeweken Indonesiër, de radicale godsdienstleraar Abdullah Sungkar. Hij was de oprichter en tot zijn dood in 1999 de amir (leider) van het radicale netwerk Jema'ah Islamiyah, dat in Zuid-oost-Azië een islamitische staat wil vestigen. In deze jaren veranderde Amrozi van een losbol in een vrome moslim, met de ijver die lijkt te horen bij herboren gelovigen.

Hij reisde naar Afghanistan waar hij twee jaar meetrok met mudjahidin (strijders) die tegen de Sovjet-troepen hadden gevochten en het land op het `rechte pad' wilden brengen. Die ervaring moet Amrozi mentaal hebben verhard. Hij koos voor jihad (ijveren op Gods weg) in de radicaalste zin des woord: verdrijving van de blanke kafir uit Indonesië. ,,Geweld is de enige taal die zij verstaan'', zei hij tijdens zijn verhoren. Van de mudjahidin leerde hij met wapens omgaan, gebouwen opblazen, identiteitspapieren vervalsen en opereren in kleine commandogroepjes. Dat alles werkte als een hersenspoeling.

Toen hij in 1997 terugkeerde in Tenggulun, waar hij een reparatiewerkplaatsje opende voor auto's, brommers en mobiele telefoons, was hij volgens zijn dorpsgenoten een ander mens. Hij had zijn eeuwige spijkerbroek verwisseld voor een lange witte tuniek, van kletsmajoor was hij een zwijger geworden en hij was vaak weg uit de desa. In Solo, Midden-Java, ontmoette hij Abu Bakar Ba'asyir, die volgens getuigenverklaringen na de dood van zijn vriend Sungkar in 1999 de leiding overnam van Jema'ah Islamiyah (JI). Mukhlas (Ali Ghufron) werd in 2001 leider van de JI-divisie Singapore-Maleisië. Amrozi leidde de `groep Tenggulun', waarvan ook zijn jongere broer Ali Imron lid was. De JI is overigens het enige onderwerp waar de beklaagden geen mededelingen over doen.

De aanslag op de twee disco's in Kuta, Bali, is waarschijnlijk door Amrozi bedacht. ,,Van Australiërs in Maleisië hoorde ik verhalen over het wangedrag van de ongelovigen daar. Van hen begreep ik ook wat een makkelijk doelwit Bali was.'' Amrozi sloeg de explosieven in en kocht het bestelbusje waarin de zwaarste van de twee bommen werd geplaatst die Kuta op 12 oktober veranderden in een inferno. In de maanden na zijn arrestatie was hij een mededeelzaam verdachte. Hij wond er geen doekjes om: de `Balibommen' waren instrumenten van de jihad en hij zou als `getuige Gods' de hemel ingaan.