Chirac beweent Trintignant

De dood van de Franse filmactrice Marie Trintignant was vorige week vrijdag nog maar nauwelijks bekendgemaakt of president Jacques Chirac deed een communiqué uitgaan. Het staatshoofd sprak zijn `droefenis' uit over `het onrecht van de zo gewelddadig verbrijzelde lotsbestemming' van de actrice `die haar kunst met haar schoonheid, gevoeligheid en intelligentie diende'. De minister van Cultuur deed in soortgelijke bewoordingen hetzelfde.

De natie had er gif op kunnen innemen, en niet alleen wegens de tragiek van het geval-Trintignant. Gelijkheid van iedereen voor de wet mag een van de pijlers van de Republiek zijn, een eerbetoon van 's lands hoogste autoriteiten aan bijzondere burgers wordt als volkomen vanzelfsprekend ervaren. Of het nu om de socioloog Pierre Bourdieu gaat of om de journaliste Françoise Giroud of zelfs de Amerikaanse maar in Frankrijk wonende zangeres Nina Simone, de overheid geeft steevast blijk van betrokkenheid.

Die ging in het geval van Marie Trintignant zelfs nog verder dan openbare condoleances. Nadat de actrice in de Litouwse hoofdstad ten gevolge van een gewelddadige ruzie met haar vriend, de ook al beroemde rockster Bertrand Cantat, in coma was geraakt en een eerste, door Litouwse artsen uitgevoerde operatie had ondergaan, stuurde de Franse regering een neurochirurg die nog een tweede, `laatste hoop'-operatie uitvoerde. Ook voor de repatriëring van de desondanks opgegeven actrice stuurde de overheid een speciaal vliegtuig.

Maar hoeveel aandacht de media ook schonken aan de dramatische gebeurtenis, de vraag `wie dat allemaal betaalt' werd niet één keer gesteld. Geen woord ook over de mogelijk al te gezwollen bewoordingen, waarin de president eer betoonde aan een niet al te groot actrice.

De vergelijking met Nederland dringt zich op. Zeker, als een oud-politicus doodgaat, wil `Den Haag' nog wel eens reageren, maar zelfs bij de dood van schrijver Willem-Frederik Hermans bleef het stil. Hooguit reageert de staatssecretaris van Cultuur nog in dergelijke gevallen, maar de premier? Om van de koningin, net als Jacques Chirac staatshoofd, maar helemaal te zwijgen. Hans van Manen, erkend genie en, zoals bekend, bewonderd door de majesteit, maakt straks zonder haar publieke groet zijn laatste gang. Net als Gerard Reve, Abram de Swaan, Gerrit Komrij, en de beide Miesen Bouwman en Bouhuijs. Ja, zelfs de Oranje-biografe en bij uitstek oncontroversiële Hella Haasse zal het voorrecht niet genieten. Dáár kan onze natie gif op innemen.

Het heeft iets armoedigs, die angst van de Nederlandse staat voor bewondering en voor de speciale behandeling van speciale gevallen. Uitzonderingen worden slechts in het negatieve gemaakt, zoals destijds met de weigering door de overheid de P.C. Hooftprijs aan Hugo Brandt Corstius toe te kennen. Tegelijkertijd krijgt Nederland wat het verdient: het land zou te klein zijn als de regering een arts naar een buiten de landsgrenzen in coma geraakte Monique van der Ven zou afvaardigen. De mentaliteit van gelijke monniken, gelijke kappen en zogenaamde nuchterheid sluiten het geringste vertoon van allure uit.

Het is meer dan een kwestie van allure. Publiek medeleven van overheid en staatshoofd bij de dood van bijzondere burgers dient ook de bevordering van de eigen cultuur. Behalve dat, vergroot het de sociale samenhang. Het is gedeelde trots, gedeeld verdriet over één van ons die is heengegaan. Je moet misschien Frans zijn om dat in te zien.