Blindelings opkomen voor de underdog

Zanger-gitarist Steve Earle gedijt bij chaos. Als er niet voldoende chaos voorhanden was, creëerde hij die eigenhandig, aldus moeder Barbara Earle. Steve was vijfentwintig jaar lang verslaafd aan drugs, zat in de gevangenis, is zes keer getrouwd en zes keer gescheiden. Ondertussen zag hij kans uit te groeien tot een van de belangrijkste Amerikaanse songschrijvers van de afgelopen twintig jaar. Midden jaren tachtig ontketende Earle een revolutie in de country-muziek, door de scheurende rock-gitaren die hij het genre binnenhaalde, maar ook door zijn rebelse en goddeloze teksten. Dat was nieuw in Nashville, de stad waar vrouwen hun kapsels hoog optouperen met het idee the higher the hair, the closer to God. Earle werd een voorloper van wat eind jaren negentig alternative country genoemd zou worden: de anarchistische stijl van artiesten als Whiskeytown, Flatlanders en Gillian Welch.

De chaos, zo geeft Earle toe, had hij nodig als compensatie voor zijn al te comfortabele achtergrond. Opgegroeid in een middenklassegezin in Texas (vader was verkeersleider op een militair vliegveld, moeder huisvrouw) ontbrak het hem als liedjesschrijver aan drama. Bob Dylan vergeleek Earle eens met de legendarische folk-zanger Woody Guthrie, maar Earle ontkende de overeenkomst. Guthrie, zei hij, was een echte plattelandsman die de problemen van de arme landarbeider bezong. Hijzelf was een man van de grote stad. En Earle had zijn onderwerpen niet voor het oprapen. Daarom creëerde hij zelf de netelige situaties die stof tot schrijven zouden bieden, vertelt hij in Hardcore Troubadour. The Life and Near Death of Steve Earle, de biografie die Lauren St.John over hem schreef.

Maar de neiging tot zelfdestructie was ook een familietrekje, dat eerder oma, moeder en een broer had beroerd. Als een waaghals stortte Steve zich in het leven. Stierenvechten, dronken op een rijdende truck liggen, alle drugs proberen die maar voorhanden waren – alles ging met bravoure en overgave. Tot 1995, het jaar waarin hij in de gevangenis belandde wegens drugsbezit, afkickte en zijn loopbaan nieuw leven inblies. Met succes: sinds 1995 heeft Earle acht cd's gemaakt die allemaal enthousiast ontvangen werden.

St.John schetst het driftige leven van Earle (1955) barmhartig en betrokken, met de sarcastische humor die bij haar onderwerp past. Openhartige gesprekken met familie, ex-vrouwen en collega's leverden talloze details op over zijn intense omgang met het leven. Ze sparen hem niet. Zijn jongste zus Stacey heeft hem geprobeerd te helpen, en hield er een jarenlange ruzie aan over. Producer Bill Bennett, die enkele keren met hem samenwerkte, noemt Earle een `egocentrische praatjesmaker'.

Ook nu hij clean is, zoekt Earle de controverse op. Zo schreef hij vorig jaar het nummer `John Walker Blues', over de Amerikaanse Talibaan-strijder John Walker die door het Amerikaanse leger was opgepakt in Afghanistan. Earle probeert zich in het liedje in te leven in de beweegredenen van Walker, die zich tot de islam bekeerde en naar Afghanistan vertrok. ,,Dit is het nummer waarvoor ze me het land zullen uitjagen'', zei hij bij een eerste live-uitvoering. Zover is het niet gekomen, maar Earle kreeg wel scherpe kritiek als `landverrader'.

Earle's blinde keuze voor de underdog past in de outlaw-traditie van country-zangers als Johnny Cash en Merle Haggard. Tegendraads, rebels, koppig, en onvoorwaardelijk eigenwijs. In het conservatieve bolwerk Nashville wist Earle de platenbazen te verleiden met zijn flux de bouche en stoere-mannenliedjes. Nadat hij eerst een jaar of tien was afgescheept, mocht hij in 1986 debuteren met de lp `Guitar Town'. Het werd een succes. Earle was anders dan de artiesten die ze in Nashville gewend waren. Zo weigerde hij doorgaans zijn portret op zijn lp's te laten zetten; de hoes van zijn tweede lp `Exit O' toonde een foto van een wegwijzer. En het massieve rockgeluid van sommige nummers was vloeken in de kerk. Het leidde tot venijnige ruzies met de platenindustrie. Maar het publiek vond hem een held. Als hij zich niet aan de zelfkant had verloren, was Earle een ster geworden van hetzelfde formaat als Bruce Springsteen.

De verslaving kwam ertussen. Op zijn vijftiende was Earle al begonnen met heroïne, maar hij kon er steeds gemakkelijk mee stoppen, en was nooit te beroerd om wat afkickverschijnselen te doorstaan. Totdat hij door een combinatie van overmoed, relatieproblemen en de druk van het succes begin jaren negentig volledig voor de bijl ging. Sommige anekdotes uit die tijd zijn nog grappig. Hoe hij op tournee in drugsvrij Canada een goede vriend liet invliegen met een fles roes-opwekkende hoestdrank (Tussionex), omdat dit het enige spul was waarmee hij zich mee op de been kon houden tijdens een stadionconcert. Het waren de hoogtijdagen van zijn carrière. Overal waren zijn concerten uitverkocht. De inkomsten waren riant. Earle besteedde inmiddels per dag tweehonderd dollar aan heroïne, vierhonderd aan cocaïne, en de rest van zijn inkomsten aan advocaten die hem uit de gevangenis moesten houden. Al snel weigerde hij om op te treden op plaatsen waar drugs niet voorhanden waren. Dat betekende: niet verder dan de grens van zijn woonplaats Nashville.

De periode van ongeveer vier jaar die hiermee aanbreekt, is het minst interessante deel van het boek. Earle's geschiedenis als verslaafde is nagenoeg dezelfde als die van Kurt Cobain, Janis Joplin of David Gahan van Depeche Mode. Vrouwen bedrogen, kinderen verwaarloosd, familie misleid, ook Earle volgde de blauwdruk van het junkiebestaan. De verlossing kwam in 1995 dankzij de politie. Gearresteerd wegens drugsbezit, moest hij gedwongen afkicken en twee maanden in de cel doorbrengen. Het twaalf-stappen-plan van de afkick-methode sloeg aan. Tot op de dag van vandaag is hij er niet van afgeweken.

Earle zet zich nu vooral in voor diverse mensenrechtenorganisaties. Hij geeft benefietconcerten voor een `wereld zonder landmijnen', houdt wakes bij ter dood veroordeelden (een zaak waar zijn moeder zich in zijn kindertijd ook voor inzette). De `nieuwe' Earle heeft in de zeven jaar sinds zijn terugkeer bovendien zo'n vijfentachtig nummers, een toneelstuk, een bundel korte verhalen, 365 haiku's en een paar hoofdstukken voor een roman geschreven. Werken is zijn nieuwe verslaving. Het contact met zijn verwaarloosde zoons Ian en Justin is min of meer hersteld. De nieuwe liefde in zijn leven heet Sara Sharpe, ze kennen alkaar via een actiegroep tegen de doodstraf.

Earle heeft zijn leven gebeterd, maar is niet week geworden. Dat blijkt uit zijn reactie op de toorn van een beroemde bluegrass-muzikant met wie hij een paar jaar geleden op tournee was. Deze Del McCoury zei tegen de pers dat hij niet meer met Steve wilde spelen, omdat deze op het podium te veel grove taal uitsloeg. Earle was woedend. Op zijn cd `Transcendental Blues' (2000) wijdde hij er een tekstregel aan. `There's no room in vulgarity for bluegrass', luidt deze.

Lauren St. John: Hardcore Troubadour.

The Life and Near Death of Steve Earle.

Fourth Estate, 404 blz. €36,25 (geb.)