Als je maar aan de goede kant staat

In pamflettistische boekjes van voor- en tegenstanders van de oorlog tegen Irak blijkt nogmaals hoe ideologisch de inzet was. Opmerkelijk genoeg hebben de analyses veel gemeen.

De Brits-Amerikaanse oorlog tegen Irak heeft de wereld van commentatoren en publicisten gespleten in kampen van sceptici, cynici en sympathisanten. Met shock and awe dreunde een militair-kapitalistisch Amerikaans offensief de wereld in, danwel begon een nieuwe zegetocht van de democratische idee. Tussenposities waren schaars, en zijn dat ook in een aantal van de boekjes, gebundelde columns en pamfletten die tijdens, en soms na, de oorlog zijn verschenen.

Eerst de verliezers. Althans, de commentatoren die zich fel tegen de oorlog keerden en nu hun wonden likken. Van Norman Mailer en Gore Vidal, beiden veteraan van de cultuurkritische jaren zestig, komen twee polemische boekjes over de donkere kant van Amerika's buitenlandse beleid. Dat van Vidal, Permanente oolog voor permanente vrede, knettert van de paranoïde gekte, zoals we mogen verwachten van een libertijn die hedendaags Amerika beschouwt als een crypto-fascistische politiestaat. Vidal schrijft daarin over de `permanente oorlog' die de Amerikaanse federale overheid voert tegen haar eigen burgers, een oorlog die in het buitenland wordt voortgezet met andere middelen zoals een onafzienbare reeks militaire interventies. Vidals troetelkind is de homegrown terrorist Timothy McVeigh, die een overheidsgebouw in Oklahoma City opblies (168 doden) om te protesteren tegen de machtsdrift van de federale overheid. Vidals nieuwe Dreaming War: Blood for Oil and the Cheney-Bush junta (met de titel is bijna alles al gezegd), verschenen bij Clairview Books, beschrijft de oorlog tegen Irak als een droomcomplot van een rechtse Amerikaanse `junta' die vooral de eigen zakelijke belangen wil veiligstellen in het dor olie zo strategische Midden-Oosten.

Norman Mailers Why Are We At War? is vooral stilistisch veel aangenamer leeswerk dan de gothische duisternis van Vidal. Met kenmerkende bravoure keert Mailer zich tegen het vlaggenwapperende patriottisme in Amerika sinds 11 september, en tegen de imperiale motieven van de neoconservatieven rondom Bush. Mailer haalt zijn bekende ergernissen over het moderne Amerika allemaal uit de kast, van de verloedering van de democratie en de corrupte hebzucht van de Republikeinen tot de nationale dictatuur van plastic.

Volgens hem was de oorlog tegen Irak de eerste stap in de vestiging van een Amerikaans imperium, een mondiaal plan waarvan de neoconservatieven in Washington al dromen sinds de val van de Muur. Clinton liet die kans liggen, Bush had er wel oren naar. De agenda op de achtergrond is volgens Mailer een morele zuivering van Amerika zelf: oorlog, en een nieuw imperium, zouden de beste remedie zijn tegen de morele verloedering die het land volgens hen sinds de jaren zestig in haar greep heeft.

Mailer schrijft zoals gewoonlijk in spierballentaal, met scherpe formuleringen en af en toe een rake belediging. Maar zijn fixatie op de binnenlandse corrumpering van Amerika (dat onder Bush een door miljonairs bestuurde `bananenenrepubliek' dreigt te worden) vertroebelt zijn blik op Irak en het Midden-Oosten. Ook Mailers psychologiserende jaren-zestigidioom, vol met nationale `identiteitscrises', is weinig verhelderend. Immers, wat moet Amerika, dat nu eenmaal een uniek soortelijk gewicht heeft, volgens hem dan doen op de wereld, behalve de cultuur van plastic niet verder verspreiden? En hoe had het land dan moeten reageren op de weergaloze terreur van 11 september? Met zelfkritiek en een stoere glimlach? Mailer suggereert het, en dat tekent zijn wereldvreemde kijk op de zaken.

Dan zijn er de overwinnaars. Van deze commentatoren is de heetgebakerde Engelse publicist Christopher Hitchens de meest triomfalistische. Hitchens, een bekeerde trotskist die zich modelleert op George Orwell en in Amerika woont, verdedigt in Regime Change de invasie van Irak voluit. Hij sneert tegen de dwazen van de vredesbeweging, tegen de `vrome onzin' van de kerken, en vooral tegen Jacques Chirac, `de rat die brulde'. Die felheid hoeft niet te verbazen, want al in maart, in een stuk waarin hij de noodzaak van de oorlog beargumenteerde, neemt Hitchens zich voor dat hij `niet de minste twijfel zal hebben, hoe het ook afloopt, dat ik aan de goede kant stond'. Een helder standpunt.

Maar dat dogmatisme is ook het bezwaar tegen dit boekje, waarin Hitchens de columns heeft gebundeld die hij over Irak schreef voor The Daily Mirror, Vanity Fair en het internetblad Slate. Hitchens obsessie om aan de goede kant te staan, in lijn met zijn radicale verleden, is zo groot dat heetgebakerde agressie de argumentatie voortdurend overstemt, en dat sarcasme een geliefder wapen is dan evenwichtige analyse. Het gaat er tenslotte niet om je tegenstanders te overtuigen, het gaat erom ze voor het front der troepen als ruggengraatloze lafaards aan de schandpaal te nagelen.

Hitchens' bundel is niettemin interessant, omdat zijn analyse waarom de oorlog nodig was sterke overeenkomsten vertoont met die van de critici, alleen met een diametraal tegengestelde waardering. Zo maakt hij evenals Mailer opvallend weinig woorden vuil aan de dreiging van Saddams massavernietigingswapens, toch het meest urgente en openlijke motief van Bush en Blair om ten strijde te trekken. Het Iraakse leger, schrijft hij in februari, heeft alleen tegen de eigen burgers iets klaargemaakt. Het regime van Saddam, heet het in november 2002, `staat op het punt in te storten'. Met andere woorden: Hitchens lijkt de mening te delen van een fervente oorlogscriticus als Noam Chomsky, die beweert dat Irak werd aangevallen omdat het regime zo zwak was.

Voldoende reden voor het omverwerpen van Saddam is volgens Hitchens dat een dergelijk `sadistisch en megalomaan' regime niet anders verdient dan onder curatele te worden geplaatst, zoals geestelijk gestoorden die een gevaar opleveren voor zichzelf en anderen. Saddam is de erfgenaam van de totalitaire dictators waar het vrije Westen al sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw slag mee levert, `een nieuwe mutatie van de totalitaire idee', die hij ook herkent in het religieuze schrikbewind van de Talibaan en de terreur van Al-Qaeda. De beste remedie daartegen is een Amerikaanse hegemonie in het strategisch belangrijke Midden-Oosten, een `imperium', al zullen we daar een nieuwe, minder beladen naam voor moeten verzinnen.

Kortom, Hitchens onderschrijft in feite de mening van Chomsky en Mailer dat het niet ging om een acute dreiging voor het Westen, niet om de `drie kwartier' waarin Saddam zijn wapens zou kunnen afvuren, maar om het vestigen van hegemonie. Alleen, hij vindt dat niet verwerpelijk, maar juist een goed idee. Dat banden tussen Saddam en Al-Qaeda niet zijn bewezen, is volgens Hitchens een cynische bedenking: het was toch zonneklaar dat Saddams regime een broedplaats was van terroristen als Abu Abbas en ander `schuim van de wereld'. Hitchens past daarmee naadloos in de wonderlijke symbiose van rechtse neoconservatieven en voormalige links-radicalen die de oorlog steunden om morele redenen en uit ideologisch optimisme, nog meer dan om prudente overwegingen van internationale veiligheid.

Dat is helder. Maar een probleem voor deze positie is wel, dat de oorlog tegen Irak vanuit Washington en Londen juist aan de man is gebracht als preventieve zelfverdediging tegen een acute chemisch-biologische of zelfs nucleaire bedreiging; een argument dat de laatste weken aanzienlijk aan overtuigingskracht heeft ingeboet. Over die misleiding van de publieke opinie en parlementen maakt Hitchens zich weinig zorgen; geen wonder, hij heeft het te druk met `aan de goede kant staan'.

Ook op zijn historische blik – de manicheïstische strijd tussen vrije wereld en totalitaire ideologieën – is veel af te deingen. Zeker, Saddam was een monster, maar één waarvan de onderdelen voor een niet gering deel aan elkaar gespijkerd waren door het vrije Westen. Kennelijk is de strijd tussen ideologieën in de werkelijke wereld niet zo helder zwart-wit als Hitchens graag zou willen. Ook verkijkt hij zich, evenals de cultuurpessimist Mailer, nogal op de situatie in Washington. Is het werkelijk zo dat daar nu alle neuzen dezelfde ideologische kant opwijzen? Of is de invloed van bevlogen neoconservatieven op de regering-Bush beperkt en zal die na de val van Saddam plaats maken voor een meer pragmatische koers?

Zo leveren deze boekjes onbedoeld toch een zekere overeenstemming op: voor ideologen, voor of tegen deze oorlog, gaat het nuchtere bewaken van de internationale rechtsorde en veiligheid niet ver genoeg als rechtvaardiging. Er moet een idee achter schuilgaan. Liefst een keizerlijk idee. Maar de beperkte houdbaarheid van die benadering begint met elke nieuwe verwikkeling in het bevrijde Irak beter in zicht te komen.

Christopher Hitchens: Regime Change. Penguin, 104 blz. €11,–

Norman Mailer: Why Are We At War? Random House, 111 blz. €12,95

Gore Vidal: Permanente oorlog voor permanente vrede.

De Arbeiderspers, 141 blz. €14,95