Wie niet in een kasteel woont, is een mislukkeling

Nu de eerste generatie arbeidsmigranten uit Marokko op leeftijd komt, keren de eersten huiswaarts. Overal verrijzen grote huizen.

De Haagse Marokkaan M'hammed Mahi (63) was nog een jongeman toen hij in 1966 het dorpje Douar Aounout verruilde voor Noord-Europa. Daar wachtte hem jarenlange zware arbeid, eerst in de metaal en later bij een bakkerij. Hij wilde zijn kinderen een betere toekomst bieden, zijn familie financieel ondersteunen en zichzelf een zorgeloze oude dag garanderen. Vijf bouwvakkers werken onophoudelijk aan zijn huis. Over zes weken zal de vierkamerwoning, die hem zo'n tienduizend euro kost, klaar zijn. Vanaf volgend jaar zullen hij en zijn vrouw er de helft van het jaar doorbrengen.

,,In Nederland hebben we niets te doen'', zegt hij in gebroken Nederlands. ,,Thuiszitten en naar de moskee gaan. Maar hier...'' Hij wijst naar de huizen van zijn broers die bij zijn huis staan, een enorme boomgaard waar twee Hollandse koeien en wat schapen grazen, en de bergen op de achtergrond. ,,Hier heb ik mijn familie, rust. De hele dag mensen. Heel wat anders dan de Schilderswijk.'' Hoe graag Mahi het ook zou willen, voorgoed remigreren kan hij niet. Hij en zijn vrouw zouden hun kinderen en kleinkinderen in Nederland niet willen missen.

De gevolgen van de massale arbeidsmigratie die in de jaren zestig en begin jaren zeventig begon, zijn in dit Rif-dorpje dichtbij de Algerijnse grens duidelijk waarneembaar. Eerst vertrokken de jongemannen massaal naar het noorden. Later volgden vrouwen en kinderen. Degenen die bij vertrek nog vrijgezel waren, huwden hun nichten en neven. Zo liep het dorp leeg. Van de driehonderd gezinnen in Douar Aounout zijn er maar dertig overgebleven. De achterblijvers boeren wat en leven verder van het Europese geld dat de vertrekkers hun af en toe toestoppen.

Nu de eerste generatie migranten op jaren begint te komen, keren de eersten huiswaarts. Behalve de `Hollander' Mahi bouwen ook een `Belg' en twee `Fransen' een huis in Douar Aounout. Zij zijn uitzonderingen. De meeste generatiegenoten hebben hun dorp de rug toegekeerd. Na tientallen jaren in Europa voelen zij zich niet meer thuis in een dorp zonder voorzieningen. Ze hebben hun droom vaak wel in de stad verwezenlijkt. Net als trouwens ook de jongeren. De dochter van Mahi wenste geen huis in het dorpje. Ze heeft een appartement gekocht in de nabijgelegen stad Berkane. De kinderen komen af en toe, tussen het strand en de grote stad door, even de familiebanden aanhalen, om na een paar dagen alweer te vertrekken.

De hele Rif-regio, grootleverancier van arbeidskrachten voor Noord-Europa, is één grote bouwput, zo valt op bij een rondrit. Migranten bouwen overal: in de stad, in hun geboortedorp en zelfs op de rug van de heuvels en bergen waar nog geen infrastructuur aanwezig is. ,,Ze kopen een lapje grond en zetten er grote huizen op'', zegt burgemeester Mohamed Tanouyat van het stadje Aklim. ,,De grootste en mooiste huizen zijn van de migranten.'' Nee, zelf een bedrijf beginnen doen de migranten in Aklim niet. Hun betekenis voor de lokale economie reikt niet verder dan werkgelegenheid voor de bouwvakkers. En armoedebestrijding, vult de burgemeester aan, om het verhaal een positieve wending te geven. ,,Sommigen onderhouden hun familieleden.''

Daarmee bevestigt de burgemeester wat het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en Eurostat vorig jaar al constateerden. Na een grootschalig onderzoek concludeerden zij dat de inbreng van arbeidsmigranten voor de lokale economie van hun herkomstlanden bijna nihil is. Hoewel een kwart van alle huishoudens in Egypte en Turkije en de helft van de huishoudens in Marokko geld of goederen uit het buitenland ontvangen, wordt het Europese geld voornamelijk aangewend voor de bekostiging van het dagelijks leven en bijna nooit voor investeringen in de `productieve sfeer'.

Het rapport meldt overigens niets over de bouw van huizen in de herkomstlanden. Elke bezoeker van de Rif-regio kan zien dat hier met het gros van de Europese spaargelden huizen worden gebouwd. In stadjes als Aklim en Driouch behoren bijna alle woningen die nog in de steigers staan, toe aan migranten of plaatselijke drugshandelaren. Driouch is door zijn gunstige ligging het distributiecentrum geworden van de hasjsmokkel naar Europa. De migranten, die geen duizend euro per vierkante meter kunnen neertellen voor een lapje grond in het centrum, zijn door rijke drugshandelaren verdreven naar de rand van het stadje.

Ook al is er nog geen riolering aangelegd en ontbreekt de elektriciteit, toch aarzelen ze niet om op afgelegen plekken grote woningen te bouwen met meerdere woonlagen. Wie in Europa vertoeft maar niet in een grote auto rijdt en ook al is het maar voor zes weken per jaar in Marokko niet in een kasteel woont, wordt hier beschouwd als een mislukkeling.

In Aklim concurreren de migranten niet met rijke drugsdealers maar met andere migranten. Wie heeft het beste lapje grond gekocht, wiens huis is het grootst en mooist? Mohammed Lektif, een 24-jarige automonteur uit Rotterdam, heeft voor achtduizend euro alvast een lapje grond gekocht in zijn geboorteplaats. Hij weet niet of hij ooit zal remigreren, maar je weet maar nooit, zegt hij. ,,Nu is de grond nog betaalbaar.'' Zijn grond ligt aan de rand van het dorp en is niet bereikbaar met de auto. ,,Allemaal gebouwd met uitkeringsgelden'', licht Lektif toe tijdens een rondrit langs de villa's van veelal Nederlandse Marokkanen. Hij stuurt de auto naar het mooiste huis op de mooiste en meest begeerde plek van het stadje, een kruispunt bij de moskee. Hier staat een kast van een huis met beneden een garage voor twee auto's en drie woonlagen erboven. ,,Van een Rotterdammer'', zegt Lektif. ,,Hij leeft van de Sociale Dienst.'' Volgens boze tongen zou hij de bouw hebben gefinancierd met de bruidschatten van zijn dochters met Nederlandse papieren. ,,Die teringlijer'', moppert Lektif.