Nederland lijkt blind voor terroristen

Wettelijke hindernissen beperken overal ter wereld de mogelijkheden van de autoriteiten om vermeende terroristen te vervolgen. Uit een Nederlands zaak van dit jaar blijkt dat er snel iets moet gebeuren, want anders stuit de oorlog tegen het terrorisme tegen een wettelijke muur.

In mei sprak een rechtbank in Rotterdam twaalf mannen vrij van de beschuldiging feitelijke steun te hebben verleend aan een internationale terreurorganisatie. De twaalf waren naar verluidt lid van de GSPC, een islamitische extremistische groepering die nauwe banden heeft met het Al-Qaeda-netwerk van Osama bin Laden. Het Nederlandse openbaar ministerie had de mannen aangeklaagd wegens de verkoop en smokkel van grote hoeveelheden drugs en het gebruik van de winsten om steun te verlenen aan medeleden van het GSPC-net. Volgens de aanklacht verschaften de mannen ook een veilig onderkomen en valse papieren aan andere extremisten en wierven en indoctrineerden ze in Nederland jonge moslims die ze op de heilige oorlog tegen het Westen voorbereidden.

Ondanks dit alles besliste een Rotterdamse rechter dat het merendeel van het bewijsmateriaal tegen de mannen juridisch niet toelaatbaar was. Het Nederlandse rechtsstelsel vereist dat de politie haar eigen onderzoek verricht. Informatie vergaard door inlichtingendiensten kan als basis voor dit onderzoek worden gebruikt, maar níet als bewijsmateriaal in een rechtszaak.

Voorafgaand aan hun arrestatie kwamen de twaalf mannen altijd bij elkaar in de Al-Furquan-moskee in Eindhoven. Jarenlang werden in deze moskee cursussen islamitisch recht gegeven, georganiseerd door de stichting Al Waqf Al-Islami, een kapitaalkrachtige organisatie uit Saoedi-Arabië. De cursussen kenmerkten zich door de extreem anti-westerse opvattingen die erin naar voren werden gebracht en werden bijgewoond door honderden islamitische radicalen uit heel Europa, onder wie een aantal voorbereiders van de aanslagen van 11 september 2001.

De vermeende leider van de twaalf is Kassim Al-Ali (Aka Abu Bilal), een 28-jarige Iraakse sjiiet die ook vast bezoeker van de Furquan-moskee was. Al-Ali kwam in 1997 naar Nederland en vroeg meteen politiek asiel aan. Maar nadat de Nederlandse politie ontdekte dat Al-Ali eerder – tevergeefs – onder de schuilnaam `Talal Ala' had geprobeerd asiel in Duitsland aan te vragen, werd hij gearresteerd wegens het bezit van een vals Iraaks paspoort. Toen daarop Al-Ali's flat in Arnhem werd onderzocht, vond de politie een duikbrevet.

Deze schijnbaar onbelangrijke ontdekking werd uitermate belangrijk toen de onderzoekers erachter kwamen dat Al-Ali op de duikschool Safe Diving in Eindhoven had gezeten. Tegelijk met hem zaten er nog meer dan vijftig andere moslims bij Safe Diving, een ongewoon aantal gelet op de grootte van Eindhoven en de afstand tot de zee. Eigenaar Bill Megens van Safe Diving zei tegen het Rotterdams Dagblad dat de meeste moslim-studenten traditionele Arabische kleding droegen en een lange baard hadden. Van een aantal is in Nederlandse inlichtingenkringen bekend dat ze radicale banden hebben.

De mogelijkheid van terreuraanslagen onder en over water blijft overal ter wereld een ernstige bron van zorg voor de justitiële autoriteiten en inlichtingendiensten. In mei 2002 liet de FBI een waarschuwing uitgaan dat ,,een aantal terroristische elementen heeft getracht een scuba-aanvalswapen te ontwikkelen''. Er zijn handleidingen over scuba-duiken ontdekt in een Al-Qaeda-schuilplaats in Afghanistan, dat geheel wordt omgeven door land. In 2000 heeft Al-Qaeda ook al een dodelijke aanval in volle zee uitgevoerd, op de USS Cole. Verder hebben in 2002 de Marokkaanse autoriteiten een aanslag op Britse en Amerikaanse schepen in Gibraltar verijdeld, waarbij drie Saoediërs werden aangehouden. Opmerkelijk genoeg werd in de agenda van één van deze mannen, Abdullah M'Sfer Ali Al-Ghamdi, het telefoonnummer van Al Ali gevonden. Al-Ali ontkent dat hij Al-Ghamdi kent.

Tijdens de rechtszitting ontkende Al-Ali de andere vijftig moslims te kennen met wie hij op de duikschool Safe Diving had gezeten. Met de arrogantie waarvan hij al het hele proces had blijk gegeven, zei hij dat ,,het moeilijk is om je onder water voor te stellen''. Maar Bill Megens, de eigenaar van Safe Diving, zei dat Al-Ali de leider van de groep leek en dat op de dag dat de mannen samen foto's namen, iedereen met Al-Ali op de foto wilde.

De Eindhovense moskee werd in januari 2002 bekend bij het publiek toen twee jonge Marokkanen die er altijd kwamen, in Kashmir werden gedood in een gevecht met het Indiase leger. Uit de verzamelde inlichtingen blijkt dat een aantal van de twaalf deze twee Marokkanen goed kende. Eén van hen, Anwar Al-Masrati, bezat een foto van één van de omgekomen jongens, en gaf toe dat hij hun Arabische les en koranonderricht had gegeven. Zouhair Tetouani, ook één van de twaalf, was afgeluisterd terwijl hij één van zijn vrienden een aantal ongepubliceerde bijzonderheden over de dood van de twee Marokkanen vertelde. De twee e-mailadressen van Tetouani bevatten de zinsneden `Voorbereider van de jihad' en `Dromer van het paradijs'.

Dit is een verontrustend voorbeeld van de beperkingen waaronder de Nederlandse autoriteiten het terrorisme moeten bestrijden en voorkomen, aangezien de inspanningen van de inlichtingendiensten te vaak worden gedwarsboomd door progressieve rechtbanken en ontoereikende wetgeving. Een ander voorbeeld deed zich afgelopen december voor, toen een Rotterdamse rechtbank vier mannen vrijsprak van de aanklacht een zelfmoordaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs te hebben beraamd. De Nederlandse rechters die bij de zaak betrokken waren, verklaarden dat ,,geen onafhankelijk politie-onderzoek'' had plaatsgevonden. Op zijn zachtst gezegd is wat meer besef bij de Nederlanders van het dreigende terroristische gevaar van het hoogste belang voor de veiligheid, niet alleen van Nederland, maar van landen overal ter wereld.

Erick Stakelbeck is verbonden aan het Investigative Project, een antiterrorisme-denktank in Washington en Lorenzo Vidino is terrorisme-analist.

© The Wall Street Journal Europe