Inflatie meten is een mijnenveld

Het Centraal Bureau voor de Statistiek ging de fout in bij het berekenen van de inflatie. Maar ís de inflatie wel objectief vast te stellen? Men kope een jurk.

Het lijkt zo eenvoudig. Je neemt de prijs van een brood, een paar schoenen, een fiets, een belminuut, en nog veel meer artikelen die nodig zijn voor het levensonderhoud. Je geeft ze een gewicht binnen het uitgavenpatroon van de gemiddelde consument, vergelijkt ze met de prijs van een jaar geleden, en voilà: er rolt een inflatiecijfer uit de bus.

In werkelijkheid is het meten van inflatie een methodologisch mijnenveld. Neem een jurk in de uitverkoop. Mode verandert, dus de jurk is altijd anders dan die van vorig jaar. Iets korter, andere stof. Jurken zijn misschien wel helemaal uit, en de consument heeft de voorkeur verschoven naar broeken. De uitverkoop valt iets vroeger, of later dan vorig jaar. Dat alles vertekent de vergelijking. Probeer dan de inflatie nog maar eens vast te stellen.

Sinds het begin van de vorige eeuw, toen pas ernst werd gemaakt met het meten van de prijsontwikkeling, heeft het meten van inflatie zich ontwikkeld tot een ware wetenschap. Het begon met het ruw optekenen van de kosten van levensmiddelen, om daarmee een acceptabele loonstijging voor de arbeider te bereiken. Het eindigt – voorlopig – met technieken die een baaierd van vertekeningen moeten tegengaan.

Al die technieken hebben in feite hetzelfde doel. Niet de ontwikkeling van de prijzen als zodanig moet worden gemeten, maar de gemaakte kosten van het levensonderhoud. En daarin zit een groot verschil. Om, onder vele andere, twee voorbeelden te noemen: zogeheten `substitutiegedrag' zorgt er voor dat consumenten als de prijs van bijvoorbeeld rundvlees te hoog wordt, meer kippenvlees gaan kopen. Wie alleen de kale prijs van `vlees' meet, vindt een veel hogere stijging dan wie de betaalde prijs meet.

Eigenlijk zou het feitelijke koopgedrag van consumenten dus doorlopend moeten worden gevolgd. Het gebruik van zogenoemde `scannerdata', die direct elektronisch worden betrokken van supermarkten, is daarvoor in principe een methode. Technische problemen met deze scannerdata zouden ten grondslag kunnen liggen aan de overschatting van de inflatie door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die dinsdagavond naar buiten kwam.

Dan is er het kwaliteitseffect. De nieuwste computer met alles er op en er aan kostte een jaar geleden 2.000 euro. Dit jaar kost hij ook 2.000 euro, maar heeft hij een snellere chip en een grotere harde schijf. Statistici kunnen besluiten dat de computer dus eigenlijk goedkoper is geworden. Anderzijds vergen nieuwe toepassingen overigens ook steeds sterkere computers, dus zou je ook kunnen zeggen dat de prijs gelijkgebleven is.

De meeste vertekeningen van de inflatie lijken voor een te hoog inflatiecijfer te zorgen. In de Verenigde Staten liet het Congres in 1996 een commissie onder leiding van de Stanford-econoom Michael Boskin onderzoek doen naar deze opwaartse vertekening. De Boskin-commissie concludeerde dat de inflatie gemiddeld 1,1 procentpunt te hoog werd ingeschat. Substitutiegedrag tekende voor 0,4 procentpunt, het kwaliteitseffect voor 0,6 procentpunt. Meetfouten waren goed voor 0,1 procentpunt.

Inflatie is ook politiek. Ten tijde van de Boskin-commissie waarschuwden consumentenorganisaties er voor dat er wel heel erg veel belangen werden gediend met het rapporteren van een lagere inflatie. Werkgevers die minder loonstijging kwijt zijn, de overheid zelf die minder kwijt is aan geïndexeerde uitgaven, de centrale bank die uit is op succes bij het bevechten van inflatie. [Vervolg INFLATIE: pagina 13]

INFLATIE

Ruime marges bij inflatie

[Vervolg INFLATIE: pagina 13] In de Verenigde Staten heeft het corrigeren, met name voor kwaliteitsverbetering, vooral sinds de Boskin-commissie een hoge vlucht genomen. Hedonic pricing bijvoorbeeld, een gevanceerde techniek, breekt producten theoretisch af in al hun onderdelen, waarvan de kwaliteitsontwikkeling afzonderlijk wordt beoordeeld.

In Europa is de situatie meer verdeeld. Nationale methoden voeren er nog steeds de boventoon, hoewel er druk wordt geharmoniseerd. Daarbij kan de discussie hoog oplopen, want de Amerikaanse technieken zijn niet zonder critici. De opwaartse vertekening van andere grootheden in de economie, zoals de volumegroei van de investeringen of het bruto binnenlands product als geheel, neemt toe als de prijsontwikkelingscomponent (de `inflatie') kunstmatig laag wordt gehouden. De groeispurt van de Amerikaanse economie in de tweede helft van de jaren negentig valt grotendeels samen met het veranderen van de inflatiedefinitie na `Boskin'.

Europa heeft voorlopig zijn eigen problemen met inflatie. De diversiteit van de nationale metingen zorgt in de eurozone nog steeds voor een probleem: er is namelijk wel één centrale bank, die de inflatie moet bevechten. Maar welke inflatie? Om enige orde in de chaos te brengen, werden in 1997 `geharmoniseerde' indices opgesteld. Maar omdat die zijn vastgesteld volgens het principe van de grootste gemeenschappelijke deler, wijken ze nogal af van de nationale definities – hoewel het de bedoeling is dat het verschil gaandeweg kleiner wordt. Een gemeenschappelijk `boodschappenmandje' voor alle consumenten in de eurozone (denk aan Finnen en Grieken) is er bijvoorbeeld eenvoudigweg niet. Voorlopig is het gevolg dat de bijvoorbeeld in Nederland de `geharmoniseerde' inflatie de afgelopen jaren tot een procent hoger kon uitkomen dan de inflatie die het CBS volgens zijn eigen definitie mat.

Nieuwe producten, innovaties, wisselende winkellocaties, wispelturige consumenten en de druk van buitenaf dat het allemaal steeds sneller moet. Het meten van inflatie is er niet eenvoudiger op geworden. Dat het CBS daarbij in de fout ging is niet goed te praten. Maar de buitenwereld, die nu de gevolgen van die fout voor lonen, pensioenen, huren enzovoort in kaart moet gaan brengen, had kunnen weten dat ieder cijfer over inflatie nooit meer kan zijn dan een benadering van de werkelijkheid. Binnen ruime marges.