Een schijn van orde in Ivoorkust

Het parlement van Ivoorkust heeft gisteren een amnestiewet aangenomen die rebellen vrijwaart van vervolging. Een belangrijke stap bij het bedwingen van de crisis die elf maanden geleden met een mislukte staatsgreep begon.

Rond de fontein in het stadscentrum wappert de nationale driekleur aan een cirkel frisgeverfde vlaggenmasten. Kerstverlichting hangt boven de doorgaande weg die van de fontein naar de markt voert. Alle winkels zijn dicht, maar de stemming is feestelijk. Ivoorkust viert zijn onafhankelijkheid van Frankrijk, vandaag 43 jaar geleden.

Er is nog een reden tot vrolijkheid. Het parlement nam gisteren een wet aan die amnestie verleent aan al degenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de zeker drie pogingen tot staatsgreep die de afgelopen jaren zijn gepleegd.

In de praktijk betekent de maatregel dat rebellen en regering nu echt de wapens kunnen neerleggen. ,,Oef!'', kopte de meest gezaghebbende krant van Ivoorkust gisteren. Een zucht van opluchting. Bijna elf maanden nadat een mislukte staatsgreep uitdraaide op oorlog tussen opstandige militairen en de regering van president Laurent Gbagbo kan een begin gemaakt worden met ontwapening van beide partijen zoals voorzien in het in januari gesloten vredesakkoord van Marcoussis.

De amnestiewet is het eerste concrete besluit dat de regering van nationale verzoening heeft genomen. Want in de maanden tussen het aantreden van de tientallen nieuwe ministers en de behandeling van de wet is weinig gebeurd. Althans, op politiek niveau. President Gbagbo heeft zijn oorlogsstrategen naar huis gestuurd en knipt de laatste tijd vooral linten door.

Van premier Seydou Diarra wordt gezegd dat hij presidentiële ambities ontwikkelt. Het ontslaan van de directeur van de staatstelevisie door rebellenminister Guillaume Soro veroorzaakte nog de meeste ophef. Tot ieders opluchting is het afgelopen met de onverzoenlijke regeringspropaganda op het acht-uur-journaal.

Op militair niveau is meer vooruitgang geboekt. Leger en politie lijken eensgezinder dan ooit. Op 4 juli kondigden vertegenwoordigers van het Ivoriaanse leger en de Forces Nouvelles, zoals de militaire tak van de rebellenbeweging MPCI tegenwoordig heet, aan dat de oorlog officieel voorbij was. Kort daarna ging een verklaring uit waarin de politiek werd aangespoord haast te maken met de uitvoering van het vredesakkoord van Marcoussis. Anders zouden de militairen, zo schreven ze, niet aarzelen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Die waarschuwing is door velen opgevat als een dreigement.

De sfeer is gedrukt en het lijkt alsof er iets geheimzinnigs in de lucht hangt, schreef een krant. Ruim twee maanden na de afschaffing van de avondklok klagen taxichauffeurs dat ze `s nachts te weinig klanten zien. Alleen in de ver buiten het centrum gelegen volksbuurt Yopougon wordt weer net als voor de crisis tot het ochtendgloren gefeest. Daar wonen de aanhangers van de president. Maar de elite in de villawijken spreekt binnenskamers haar bezorgdheid uit. Is de oorlog werkelijk achter de rug? Waarom komen er dan zoveel gendarmes op de been als de nacht valt?

Maar een schijn van orde is terug. Ondanks de strenge politiecontroles komt het verkeer overal weer op gang. In het zuiden heeft de zogeheten patriottistische jeugd zijn wegversperringen ontmanteld. In het door de Forces Nouvelles bezette noorden hebben veel jongens hun wapens ingeleverd. Sinds een week rijden er zelfs weer taxis in de stad Bouaké waar de rebellenbeweging haar hoofdkwartier had.

Bestuurlijk blijft het land verdeeld en het ziet er niet naar uit dat daar binnenkort verandering in komt. De regering heeft nog altijd niets te vertellen in het noorden, de ambtenaren blijven weg, de scholen en banken dicht. Rebellenleider Sherif Ousmane heeft het de facto burgemeesterschap van Bouaké op zich genomen nu de meeste van zijn collega's zich in pak met stropdas hebben gehesen om een ministerspost te aanvaarden. Op Sherifs hoofd stond een premie die vervalt met de amnestiewet. Maar voor iemand als hij zich vrijelijk in Abidjan kan bewegen, moet er nog heel wat gebeuren.

    • Pauline Bax