`Werken tot je 65ste wordt weer normaal'

Door de vergrijzing dreigt de AOW onbetaalbaar te worden. De oplossing is `langer doorwerken', maar daar wil de gemiddelde Nederlander niets van weten. Hoe bereiden we de werknemer er mentaal op voor dat langer werken noodzaak wordt?

Het personeel van particuliere ambulances in Amsterdam draait zondagdiensten om te bereiken dat hun VUT-leeftijd daalt van 59 naar 57 jaar. Liever nog naar 55 jaar, zoals geldt voor personeel van overheidsambulances, maar 57 zou al mooi zijn.

De ambulancebroeders en -zusters vormen geen uitzondering: vraag een Nederlander van boven de 50 wanneer hij wil stoppen met werken en driekwart zegt `morgen'. Bijna nergens in Europa is de leeftijd waarop men uit het arbeidsproces stapt zo laag als in Nederland: in 1950 was dat 66,4 jaar, nu houdt de Nederlander door ziekte, werkloosheid of vervroegde uittreding een kleine tien jaar eerder op met werken. Terwijl we toch zo'n tien jaar ouder worden dan in 1950. Slechts een paar procent werkt tot de 65ste verjaardag en nog eens een paar procent werkt ook daarna nog door.

Het collectieve verlangen om zo snel mogelijk afscheid te nemen van `de zaak' en `leuke dingen' te gaan doen, is ingegeven door de VUT-regeling die eind jaren zeventig werd ingesteld om ouderen plaats te laten maken voor werkloze jongeren. De regeling leidde tot een cultuuromslag: eerder stoppen met werken werd de norm. Het dalend aantal jongeren, het toenemend aantal ouderen én de problemen van de pensioenfondsen als gevolg van de beursmalaise maken vervroegd stoppen met werken echter tot een probleem: omdat de Nederlander ouder wordt, dreigt de AOW onbetaalbaar te worden. Tegelijkertijd zullen werkgevers te maken krijgen met een permanent tekort aan personeel omdat er te weinig jongeren zijn. De oplossing doet pijn: de werknemer moet door tot zijn 65ste, liefst langer. Maar daar is Nederland mentaal nog lang niet aan toe.

Nederland denkt verkeerd, betoogt Joop Schippers, hoogleraar arbeids- en emancipatie-economie aan de Universiteit Utrecht. ,,Werknemers stoppen zodra dat financieel kan en werkgevers vinden dat wel best. Die vindt het respectvol om ouderen niet meer lastig te vallen en denkt dat het weinig oplevert om nog in die groep te investeren. Die welwillende, maar negatieve houding ten opzichte van ouderen dateert uit de tijd dat arbeiders tegen hun pensioen versleten waren. Maar nu velen hoofdwerk doen in plaats van zwaar handwerk is het niet langer automatisch zo dat het na je 50ste bergafwaarts gaat.''

Tot voor kort kon een werkgever zich zo'n houding wel permitteren. Voor innovatie en stressvolle projecten had hij genoeg jongere werknemers. ,,Maar dat houdt binnenkort op door de ontgroening'', waarschuwt Schippers. ,,Dan worden die ouderen hard nodig. De recente krapte op de arbeidsmarkt was daar een eerste voorbode van, maar die werd gedempt door de recessie. Maar binnen tien jaar wordt dat tekort permanent.''

Als we ouderen langer aan het werk willen houden, moeten werknemers veel meer zeggenschap krijgen over de manier waarop ze hun loopbaan inrichten, vindt Schippers. ,,De 6 procent van de mensen die zouden willen doorwerken na hun 65ste, maar het niet altijd mogen, vind je veelal onder hoogleraren, rechters en journalisten. Mensen met leuk werk en veel zeggenschap over hun werk en hun arbeidstijden. Die autonomie is kennelijk belangrijk. Bovendien is de fysieke slijtage voor deze groep beperkt, sterker nog, in deze beroepen blijf je kennis en ervaring opbouwen. Wie sturen we bijvoorbeeld naar Argentinië voor een goed gesprek met Jorge Zorreguieta? Max van der Stoel, ver in de zeventig!''

De manier waarop mensen hun werk kunnen inrichten wordt een belangrijke arbeidsvoorwaarde als ze tot hun 65ste of langer moeten werken, verwacht Schippers. ,,Krijgt een werknemer die ruimte niet, dan houdt hij het niet zo lang vol. Dat besef is nog maar nauwelijk doorgedrongen.''

Een flexibeler inrichting van de loopbaan heeft nog een ander voordeel, volgens Lans Bovenberg, hoogleraar algemene economie aan de Universiteit van Tilburg. ,,Ons werkzame leven is nu heel onlogisch ingericht. We proppen alle drukke werkzaamheden tussen de 25 en de 50 jaar: in die tijd moeten we een carrière opbouwen, kinderen krijgen én door scholing up-to-date blijven. Die overbelasting tijdens dat spitsuur moet minder worden. Bijvoorbeeld door te accepteren dat je ook pas na je 45ste carrière kunt maken. Waarom niet, als je toch zo lang leeft? Nu word je zachtjesaan afgeschreven als je 45-plus bent.''

Op den duur zal het weer normaal worden om tot je 65ste of langer door te werken, verwacht Bovenberg. ,,Maar eerst moet er een cultuuromslag komen en daar is veel voor nodig. De sociale zekerheid is nu zó ingericht dat eerder stoppen aantrekkelijk is.'' Dat moet anders, volgens de hoogleraar. Zo zou het voor werkgevers moeilijker moeten worden om ouderen te laten afvloeien richting WW en WAO. Ook zouden pensioen en sociale zekerheid moeten worden gebaseerd op het middenloon, en niet op het eindloon. Bovenberg: ,,Daardoor is het nu onaantrekkelijk om aan het eind van je loopbaan een stapje terug te doen.'' Ook het deeltijdpensioen zou gemeengoed moeten worden. ,,Als je ouderen aan het werk wilt houden, speelt deeltijdwerk daarbij een grote rol. Zo hebben we ook vrouwen naar de arbeidsmarkt gehaald.''

Als we straks vitale vijftigers willen hebben die best langer door willen werken, dan moet je nú investeren in veertigers, betoogt Schippers. Hij voelt wel wat voor een soort Akkoord van Wassenaar, waarin de sociale partners in 1982 afspraken vastlegden over loonmatiging in ruil voor meer flexibiliteit en deeltijdwerk. De invulling van die afspraken vond plaats op bedrijfsniveau. ,,Je zou een deel van de loonsom moeten reserveren voor investeringen als opleidingen en stages bij andere organisaties, zodat werknemers fris blijven. Bovendien draagt dat bij aan kennisverbreding, zodat mensen op meer fronten inzetbaar zijn. Maar ook een sabbatical is zo'n investering: als werknemers op hun 40ste drie maanden vrij kunnen nemen voor een lange reis, wordt de drang om eerder te stoppen wellicht kleiner. In het algemeen kun je zeggen dat een relaxtere levensloop nodig is om mensen langer door te laten werken.''

Yvonne Quispel van het Expertisecentrum Leeftijd en Maatschappij plaatst kanttekeningen bij zo'n akkoord: ,,Alles wat er zou moeten gebeuren om Nederland langer aan het werk te houden, staat al jaren op papier: de SER, de Stichting van de Arbeid, zelfs het kabinet heeft er een standpunt over naar buiten gebracht. Maar veranderingen kunnen alleen op bedrijfsniveau doorgevoerd worden.''

Om de leeftijdsbarrière in de hoofden van de Nederlanders te slechten moet volgens Quispel de oudere werknemer als `normaal' worden beschouwd en niet als probleem. ,,Als een werkgever alleen al de normale personeelsinstrumenten als functioneringsgesprek en scholing tot de pensioengerechtigde leeftijd zou hanteren, zouden veel meer mensen geneigd zijn langer door te werken. Op zijn beurt moet de werknemer openstaan voor scholing en niet denken dat hij het allemaal wel weet.'' Het pensioen moet onderwerp van gesprek zijn tussen leidinggevende en werknemer. ,,Nu wordt er nauwelijks over gepraat op de werkvloer. Als een werknemer merkt dat hij gewaardeerd wordt en er werk genoeg is voor hem, is hij sneller geneigd langer te blijven.''

Het probleem van ontgroening, vergrijzing en langer doorwerken is nog een theoretisch vraagstuk, vindt Quispel. ,,Werkgevers en werknemers zijn er nauwelijks mee bezig, integendeel, die vinden het allebei wel prima dat de oudere vertrekt. En de overheid stelt zich tweeslachtig op: enerzijds wil zij dat het aantal oudere werknemers toeneemt. Anderzijds zijn stimulerende maatregelen daartoe, zoals het fiscaal voordeel bij scholing van 40-plussers en het fiscaal voordeel om langdurig werklozen in dienst te nemen, met een bonus als het om een 50-plusser gaat, onlangs afgeschaft.''

Het hele vraagstuk rond oudere werknemers speelt veel te veel op macroniveau, vindt Quispel. ,,Maar een ondernemer wil pas een oudere in dienst houden als dat winst oplevert.'' Wat onder meer zou moeten veranderen, is het automatisch stijgen van het loon met elk dienstjaar, vindt Quispel. ,,Waarom zou je iemand belonen omdat hij een jaar ouder wordt? Dat betekent automatisch hogere loonkosten en onderstreept dus het beeld dat een oudere duur is. Wat relatief is: veel dertigers zitten al aan hun top. Zolang het beeld heerst dat een oudere langzamer, duurder en vaker ziek is, investeert de werkgever niet meer in ouderen, bijvoorbeeld door scholing. Op zijn beurt heeft de werknemer lang niet altijd zin om tussen jongeren op school te zitten, met als gevolg dat hij qua kennis en innoverend vermogen achteropraakt en dus eerder met werken wil stoppen. Feitelijk is het een kwestie van verwaarloosd personeelsbeleid.''

Het zal nog wel even duren voordat de pensioenleeftijd omhoog gaat, verwacht hoogleraar Schippers. ,,Telkens als iemand het onderwerp ter sprake brengt, wordt het onmiddellijk van tafel geveegd. Bovendien wordt langer doorwerken niet echt gestimuleerd: je mag maar beperkt bijverdienen tijdens de VUT en het kost veel moeite om werkende 65-plussers verzekerd te krijgen.'' Voorlopig hebben we nog veertig jaar te maken met mensen die begonnen te werken met het idee dat het maximaal tot hun 65ste gaat duren, volgens Schippers. ,,Die grens zit in de hoofden van de meeste mensen, dat haal je er niet zomaar uit. Nu aankondigen dat de pensioenleeftijd wordt opgetrokken, is net zoiets als op 1 augustus bekendmaken dat vuurwerk op 31 december voortaan verboden is.''

Het opschuiven van de pensioenleeftijd moet geen prioriteit krijgen, vindt de hoogleraar, zolang er nog zoveel mensen onder de 65 niet werken, door WAO, werkloosheid of vervroegde uittreding. ,,Als je die reserve aanspreekt, scheelt dat tien- zo niet honderdduizenden werknemers. Daar is sneller resultaat te boeken dan wanneer je het aantal doorwerkers van 6 naar 10 procent probeert op te schroeven. Want iemand die na zijn 65ste doorwerkt, levert 2 à 3 extra arbeidsjaren op. Maar iemand die op zijn 55ste niet voortijdig van de arbeidsmarkt vertrekt, kan nog 10 jaar mee.''

Ook Bovenberg wil eerst de reserve aanspreken: ,,De komende tien jaar gaat het erom die niet-werkende 50- tot 60-jarigen te mobiliseren. Maar daarna, over vijftien jaar, moeten we ook die 65-plussers aan de praat zien te houden. De politiek zou die boodschap nu al luid en duidelijk moeten verkondigen, maar ja, het is natuurlijk geen prettige boodschap.''

Bovenberg is niet zo pessimistisch over de benodigde cultuuromslag: ,,De druk van de markt zal het wissel vanzelf omzetten. Als er minder jongeren instromen, gaat de werkgever automatisch investeren in ouderen.''

Dit is het eerste deel van een tweeluik over langer doorwerken. Volgende week: Groeiend aantal bedrijven investeert in oudere werknemer