Een lijk uit een goede familie

De Franse regisseur Claude Chabrol staat al meer dan veertig jaar bekend als scherpzinnig waarnemer van het doen en laten van de bourgeoisie. Het liefst giet hij zijn analyses in de vorm van thrillers. Wellicht is het nuttig keer op keer te benadrukken dat deze klasse het liefst de status quo bewaart, flink wat lijken in de kast heeft en zich niets aantrekt van god noch gebod.

Het begin van Chabrols La fleur du mal is het beste. François Vasseur keert na zijn studie in Amerika terug naar Bordeaux, waar zijn vader hem oppikt van het vliegveld. Ongemakkelijk proberen ze een conversatie op te zetten. Zonder het expliciet te maken, wordt duidelijk dat François een hekel aan zijn vader heeft. Die is vooral trots op zijn apotheek en het onlangs, zonder vergunning, aangebouwde laboratorium. `Is dat niet illegaal', vraagt François nog. Eenmaal thuis ontmoet hij zijn tante en stiefmoeder Line en nichtje Michèle. Vooral het weerzien met Michèle leidt tot wat broeierige momenten. Zonder dat de plot nog in gang is gezet, weet Chabrol alles al duidelijk te maken: liefde, haat, schuldgevoelens, zaken die het daglicht niet kunnen verdragen, rijke families die onderling trouwen om hun belangen in stand te houden.

Voordat deze scènes zich ontvouwen is er een proloog waarin de camera over een landgoed glijdt, een groot huis binnenzweeft, de trap opgaat, ons langs vertrekken voert om te eindigen in een kamer waarin een lijk ligt. Op de geluidsband klinkt het weemoedige chanson `Un souvenir' dat helaas onvertaald blijft. Daarna neemt de plot de overhand, maar daarin wordt zo veel overhoop gehaald dat uiteindelijk een gevoel van ongeloofwaardigheid de overhand neemt, ondanks scherpe satirische momenten.

La fleur du mal. Regie: Claude Chabrol. Met: Nathalie Baye, Bernard Le Coq, Benoit Magimel, Suzanne Flon, Thomas Chabrol. In: Het Ketelhuis, Amsterdam; Babylon, Den Haag; Lantaren/Venster, Rotterdam