De desinformatierevolutie

Een van de specialiteiten van The Economist het weekblad heeft er meer is het afzetten van buitenlandse regeringsleiders. In het nummer van twee augustus was het opnieuw Silvio Berlusconi, nadat deze staatsman in 2001, kort voor zijn verkiezing, hetzelfde was overkomen. In 1998, het vredige jaar waarin Washington de aandacht van de wereld gevangen hield met Bill en Monica, was het de Amerikaanse president zelf. Just Go! riep The Economist hem toe. Hij dacht er niet aan. Onder zijn bewind ging het te goed met de economie. En The Economist kan Berlusconi nog meer vertellen. Hij beheerst de nationale televisie en het Britse weekblad wordt door weinig Italianen gelezen. Maar het blijft een goed idee: een krant (of een columnist) die een regeringsleider afzet.

In de Verenigde Staten is al maanden een strijd gaande over de vraag of het de grote mediaconcerns zal worden toegestaan hun macht verder uit te breiden. De Federal Communications Commission wil de grenzen voor concentraties in de media verruimen. In de praktijk zou dit betekenen dat de vier reuzen hun nationaal bereik van 35 tot 45 procent mogen uitbreiden. De voorstanders verklaren dat dit volkomen in overeenstemming is met de tucht van de vrije markt. Zo krijgen de meeste consumenten wat ze het liefst willen. En voor wie iets anders wil, blijven er genoeg media over. Amerika blijft het vrijste land ter wereld. Tegenstanders in het Congres en de pers vrezen de verpletterende macht van de giganten. Plaatselijke belangen, minderheden verliezen hun toegang tot de openbare mening. Columnist William Safire, overtuigd conservatief, schrijft in The New York Times over ,,een greep naar de macht''. Er bestaat een kans dat de president met zijn veto die greep zal beschermen.

Wat gaat ons in Nederland de mediaconcentratie in Amerika aan? Alles, want de gevolgen dringen door tot in onze huiskamers. Daarbij gaat het nu niet om de `content', de inhoud van het entertainment die voor een aanzienlijk deel door de Amerikaanse maatschappijen wordt geproduceerd, en die onontkoombaar onze smaak en levensstijl beïnvloedt. Wie daar geen zin in heeft kan zijn televisie afzetten. De mediagiganten bepalen de kleur, de teneur van het wereldnieuws. Dat geldt dan in het bijzonder als Amerika bij het wereldnieuws is betrokken, en als dat in deze tijd niet zo is, dan is het waarschijnlijk geen wereldnieuws.

Van ongeveer een jaar geleden tot de dag waarop de oorlog uitbrak hebben de vier mediaconcentraties in hun nieuwsvoorziening het Amerikaanse publiek op de onvermijdelijkheid van de krachtmeting voorbereid. Natuurlijk is er een onverschrokken kritische pers en zijn er onafhankelijke televisie en radio: C-Span, Channel 13, National Public Radio. Door de `informatierevolutie' zijn er langzamerhand honderden websites, van de grote kranten, en verder alle soorten, van onwaarschijnlijk links tot van lotje getikt rechts. Soms lees je iets dat de moeite waard lijkt, soms bevat zo'n particulier bulletin nieuws dat grote gevolgen heeft, zoals het geval was toen de inmiddels vergeten Matt Drudge bekend maakte wat Bill en Monica hadden gedaan. Maar dat internet de vrijheid van informatie vrijwel onbegrensd heeft gemaakt, wil niet zeggen dat het daarmee een massamedium is geworden.

Met een wereldwijd maar beperkt publiek is geen website tegen de overweldigende berichtgeving van de werkelijke massamedia opgewassen. Dat is al gebleken, op vreedzame wijze tussen 1998 en 2000, toen de massamedia de hype kweekten die de luchtbel van de `nieuwe economie' heeft veroorzaakt. En nu weer, met de massavernietigingswapens, de banden tussen Saddam Hussein en Al-Qaeda. Het gaat niet over de waardering van het resultaat, maar over de rechtvaardiging die aan de oorlog vooraf is gegaan. Op essentiële punten deugde die niet. Dat is ook voor de oorlog door een aantal media duidelijk gezegd, maar niet door de vier giganten die het publiek oorlogsbereid hebben gemaakt. Daarvoor waren geen geheime directieven nodig, als in een dictatuur. Alles heeft zich in volstrekte vrijwilligheid voltrokken. Onze regering heeft zich ook vrijwillig bij de neus laten nemen.

Met de informatierevolutie is een nieuwe tijd aangebroken, in de wetenschap maar niet in de politiek. In vroeger tijden betekende het bezit van een krant politieke macht. De geschiedenis levert legendarische voorbeelden. De `persbaronnen', Northcliffe, Beaverbrook, de geheimzinnige Zaharoff. Menno ter Braak heeft er nog een toneelstuk over geschreven, De Pantserkrant. Daarna kwam Hearst wiens krantenimperium Orson Welles heeft geïnspireerd tot Citizen Kane. Nu hebben we Rupert Murdoch met zijn NewsCorp, in de hele wereld. Koop een keer The Sun, en u leest hoe volgens Murdoch onze wereld in elkaar zit.

De argumenten die worden gebruikt om de grenzen van concentratie in de media te verruimen, zijn drogredenen. Groter concentratie, hoe dan ook, links of rechts, leidt altijd tot meer macht. In de communistische wereld werd de voorkeur gegeven aan ruimtelijke concentratie: zoveel mogelijk in één gebouw. Dat is primitief, en die tijd is voorbij. In onze vrije, democratische samenleving kan iedereen zeggen en schrijven wat hij wil. Dat is mooi, maar het gaat om de omvang van het publiek dat hij ermee bereikt. Hoe groter het publiek, hoe groter de macht en ook de kans op desinformatie.

The Economist is een van de best geïnformeerde, zorgvuldigste weekbladen ter wereld. Onwaarschijnlijk dat ze daar in hun requisitoir tegen Berlusconi fouten hebben gemaakt. Toch zal The Economist er niet zo gauw in slagen, een premier af te zetten. Als iemand dat al doet, dan Rupert Murdoch, en dit of zijn argumenten nu deugen of niet. De enorme schaalvergroting heeft het principe niet veranderd. Dat is hetzelfde als honderd jaar geleden.

    • H.J.A. Hofland