Bioterrorisme is reële dreiging voor Nederland

Anders dan de Verenigde Staten en een aantal Aziatische landen geeft de Nederlandse regering te weinig aandacht aan het gevaar van een aanval met biologische wapens op haar grondgebied. Er moet eerst een ongeluk gebeuren met veel schade, wil men wakker worden, vreest Arjen van Tunen.

De laatste jaren en zeker na de aanvallen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten, is wereldwijd een grote druk ontstaan om het internationale terrorisme aan te pakken. Ook Nederland besteedt veel aandacht aan het internationale terrorisme en de bestrijding daarvan.

Een speciale vorm van terrorisme is het bioterrorisme. Bioterroristen maken gebruik van, al dan niet speciaal daarvoor ontwikkelde, micro-organismen, virussen of biologische gifstoffen, om burgers aan te vallen en daarmee de overheid en maatschappij te ontwrichten. Voordelen voor terroristen zijn: met micro-organismen, zoals de antrax-bacterie of het pokkenvirus of gifstoffen zoals ricine, kunnen op relatief eenvoudige wijze (groepen) mensen geïnfecteerd worden met een grote kans op sterfte.

Doordat de micro-organismen en virussen zich kunnen verspreiden en vermenigvuldigen kan na de directe aanslag op het leven van burgers ook grote angst voor infectie ontstaan, hetgeen een zware psychologische schade en een langdurige ontwrichting van de maatschappij ten gevolge kan hebben. Bovendien kan grote economische schade ontstaan.

Een bom met een kwart liter antrax-bacteriën in de Amsterdamse of Rotterdamse metro kan tot gevolg hebben dat het metrosysteem geheel afgesloten moet worden en gedurende vele jaren niet meer gebruikt kan worden wegens de zeer moeilijk te verwijderen sporen van deze bacterie.

In de Verenigde Staten wordt de dreiging van het bioterrorisme, zeker sinds de antrax-brieven uit september 2001, zeer serieus genomen. Er is een speciaal nieuw ministerie voor de Verdediging van het Vaderland (Department of Homeland Defence) opgericht. Onlangs kondigde president Bush op het internationale Biotechnologiecongres BIO2003 in Washington aan dat het Bioshield-programma gaat starten. Voor dit nationale anti-bioterrorismeprogramma wordt zes miljard dollar uitgetrokken om de dreiging van het mogelijke gebruik van biologische wapens te analyseren, tegenmaatregelen te ontwikkelen, microbiologisch onderzoek te financieren, aankoop van vaccins en antimicrobiële en antivirale middelen te garanderen en regelgeving te ontwikkelen.

Ook in landen als Singapore en Taiwan is na de sars-uitbraak veel aandacht ontstaan voor het bio-terrorisme probleem. Deze landen hebben op traumatische wijze de ontwrichting ervaren bij een infectie die slechts een relatief beperkt aantal slachtoffers heeft gemaakt. De restaurants bleven leeg, de mensen gingen niet meer bij elkaar op bezoek en toeristen en zakenlieden bleven weg. Dit alles heeft grote sociale effecten gehad en leidde tot grote economische schade.

In Nederland daarentegen wordt aan het bioterrorisme weinig aandacht gegeven. Ik ben bang dat eerst een ongeluk en heel veel sociale en economische schade nodig is voordat we hier wakker worden. Na bezoek aan het BIO2003-congres en na gesprekken met vertegenwoordigers uit Singapore en directeuren van een Nationaal Centrum voor Biodefensie van een Amerikaanse Universiteit ben ik ervan overtuigd dat de dreiging ook voor ons reëel is en onderdeel uitmaakt van het scala van bedreigingen waar elke land ter wereld mee te maken heeft.

Gegeven de attractiviteit en effectiviteit van biologische wapens voor terroristen kunnen we ook voor Nederland verwachten dat deze wapens gebruikt gaan worden. In een aantal landen is veel biologisch wapenmateriaal aanwezig dat wellicht in handen is of kan komen van internationale terroristenorganisaties. Ook is het voor deze organisaties relatief eenvoudig dit materiaal zelf te produceren.

Het probleem is niet de waarschijnlijkheid van een aanval. Het echte probleem is dat we niet weten met welke virussen of micro-organismen, waar, wanneer en hoe er eventueel een aanval gaat komen. Dit maakt het ontwikkelen van tegenmaatregelen moeilijk. De maatregelen die nu genomen zijn en worden, zullen naar mijn mening onvoldoende en weinig effectief zijn.

De beschikbare vaccinatiemiddelen tegen het pokkenvirus geven geen bescherming tegen antrax of andere micro-organismen en het is maar de vraag of mensen zich willen laten vaccineren tegen een infectie met het pokkenvirus of antrax-bacteriën, waarvan ze niet weten of, waar en hoe die zal gebeuren.

De huidige diagnosemiddelen, zoals bijvoorbeeld moleculaire detecties, zijn ook onvoldoende en zullen te tijdrovend, ingewikkeld en kostbaar zijn om op grote schaal bijvoorbeeld op vliegvelden en stations in te zetten.

De Nederlandse overheid moet instituten en universiteiten verder mobiliseren om gezamenlijk met onze partnerlanden in de Europese Unie meer aandacht te schenken aan de ontwikkeling en invoering van nieuwe, goedkope, breed inzetbare diagnosemiddelen zodat we sneller en specifieker op de hoogte zijn na eventuele aanvallen.

Daarnaast moet Nederland rampenscenario's ontwikkelen, met maatregelen die de bevolking na een aanval informeren en mobiliseren tot waakzaamheid. Tenslotte moet intensiever onderzoek worden uitgevoerd naar nieuwe, algemene en effectievere behandelmethoden.

We hoeven niet in paniek te raken, maar we moeten ons beter kunnen verdedigen en voorkomen dat er te veel slachtoffers gaan vallen en er grote economische en sociale rampen ontstaan.

Prof. dr. Arjen van Tunen is directeur van het Swammerdam Institute for Life Sciences van de Universiteit van Amsterdam.