NAVO moet naar het Midden-Oosten

Israëliërs en Palestijnen komen moeilijk nader tot elkaar, ondanks de uitgestippelde `routekaart' voor vrede in het Midden-Oosten. Een veiligheidsmacht onder leiding van de NAVO is misschien wel de enige uitweg. Dat zou ook niet slecht zijn voor de transatlantische verhouding, meent Steven Everts.

Na het bezoek dat de Palestijnse en Israëlische premiers onlangs aan Washington hebben gebracht, is de algemene opvatting dat de `routekaart' voor vrede in het Midden-Oosten op koers ligt. Maar de voortgang heeft een wankele basis: het tijdelijke staakt-het-vuren door de extremistische Palestijnse groeperingen. De Israëlische concessies inzake de vrijlating van gevangenen en de cocessies inzake controleposten zijn weliswaar welkom, maar verbloemen het feit dat geen van beide partijen zich ten volle houdt aan de verplichtingen die voortvloeien uit de routekaart.

Het paradoxale is dat de Israëliërs en Palestijnen eensgezind zijn in hun steun aan de routekaart – én in hun overtuiging dat deze niet tot succes zal leiden. Het is verontrustend dat beide partijen daarom met plan `B' flirten. Terwijl besprekingen met de Palestijnen worden gevoerd, bouwt de Israëlische regering een `veiligheidshek' dat nieuwe feiten schept waardoor een overeenkomst moeilijker bereikt kan worden. Bij de Palestijnen is steeds vaker sprake van een terugkeer naar de oplossing van één staat, voor het geval de routekaart – geheel volgens hun verwachtingen – niet tot een levensvatbare Palestijnse staat zou leiden. Dat zou betekenen dat de Palestijnen hun demografische voordeel weten om te zetten in een politieke bevrijding binnen één democratisch Israëlisch-Palestijns geheel. Beide denkbeelden staan haaks op de routekaart en zijn een recept voor eindeloze golven van geweld. Zonder kapstok die de vaart erin houdt, bestaat het gevaar dat de huidige fase van korte duur zal zijn en dat beide partijen weer snel vervallen in het vertrouwde patroon van geweld en vergelding.

Als de VS, Europa en anderen wel de vaart in de routekaart willen houden, zullen ze meer moeten investeren – politiek en militair. Ze zouden moeten voorstellen om een veiligheidsmacht onder NAVO-leiding op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza te legeren, bedoeld ter ondersteuning van het wankele staakt-het-vuren. Ook de huidige impasse in de veiligheidsonderhandelingen zou daarmee wellicht worden doorbroken, zodat ook op andere terreinen weer vooruitgang mogelijk is.

De Israëliërs zeggen zich alleen uit alle steden op de Westelijke Jordaanoever te zullen terugtrekken als hun veiligheidsbelangen gewaarborgd zijn. Iedereen is het erover eens dat de Palestijnse veiligheidsdiensten te zwak en versnipperd zijn om daarvoor zorg te dragen. Maar het is evenzeer duidelijk dat de Palestijnse leiding – die al wordt beschuldigd naar Israëls pijpen te dansen – de extremistische groeperingen alleen kan aanpakken als de Israëliërs zich terugtrekken. Daarom zou een strijdmacht van buiten de stellingen van het Israëlische leger moeten overnemen en het gebrek aan vertrouwen tussen de partijen moeten goedmaken.

De NAVO heeft ervaring met vredeshandhaving in Bosnië, Kosovo en Afghanistan. Ze zoekt voortdurend wegen om haar blijvende belang te bewijzen. Het denkbeeld van een vredeshandhavingsmacht onder NAVO-leiding, eens verworpen als bespottelijk ambitieus, wint gaandeweg aan steun. Een vooraanstaand, zij het eenzaam, pleitbezorger is de Amerikaanse senator John Warner, voorzitter van de commissie voor de strijdkrachten. Ook is bekend dat steun bestaat in hogere regeringskringen, waaronder de Nationale Veiligheidsraad. De NAVO-ministers van Defensie hebben in juni de voorstellen besproken in Madrid. De Nederlandse regering is er sterk voor, evenals hoge NAVO-functionarissen. De NAVO heeft al Israëlische en Palestijnse veiligheidsfunctionarissen naar Kosovo gehaald om hun te laten zien hoe een vredesmacht zou werken.

De Europese ministers van Defensie hebben enige belangstelling maar ook gerede twijfel over de gevaren van een vredesmacht onder leiding van de NAVO. Dat is begrijpelijk, maar de Europeanen zouden meer naar de toekomst moeten kijken. De Europese pleidooien voor een actiever en evenwichtiger houding van de VS tegenover Israël en Palestina zijn terecht. Maar die betogen zouden misschien meer gewicht in de schaal leggen als de Europese regeringen zich bereid zouden tonen om een regeling niet alleen met extra geld maar ook met troepen te steunen.

Een aantal Europeanen, onder wie de Franse minister van Buitenlandse Zaken Dominique de Villepin, heeft betoogd dat de EU vredestroepen naar het Midden-Oosten zou moeten sturen. Maar Israël zal nooit instemmen met een louter Europese vredesmacht. Om geloofwaardig te zijn moet het een NAVO-macht worden, waaraan andere landen een bijdrage leveren. Het zou hoe dan ook een triomf voor Europa zijn als het de NAVO bij de vredeshandhaving in het Midden-Oosten zou weten te betrekken. Daaruit zou blijken dat het bondgenootschap de Europese en Amerikaanse prioriteiten kan verzoenen en dat de NAVO even goed vredesakkoorden kan bevorderen als ze na Amerikaanse interventies schoonmaakacties weet uit te voeren. De Israëliërs willen veiligheid maar hebben geen vertrouwen dat ze die met de Palestijnen zullen bereiken. De Palestijnen willen een einde aan de bezetting maar missen het vermogen en de geloofwaardigheid om hun eigen zaken te regelen. De buitenwereld wil wanhopig aan de routekaart vasthouden. Een strijdmacht onder NAVO-leiding is misschien wel de enige uitweg. Die zou ook de gehavende transatlantische verhouding helpen oplappen. Als de VS en Europa het niet eens kunnen worden over een vredesoperatie in een gebied dat voor beide van levensbelang is, dan rijst de vraag waar de transatlantische band dan wél goed voor is.

Steven Everts is verbonden aan het Centre for European Reform. Dit artikel verscheen eerder in de Financial Times. © Financial Times