Markteconomie in Irak vergt opbouw van middenklasse

Een van de doelen van de recente oorlog in Irak was het opbouwen van een duurzame, democratische markteconomie, die als voorbeeld zou kunnen dienen voor het Midden-Oosten. Hoewel de voortgang wordt belemmerd door de beslommeringen van het herstel van rust en orde, zal de coalitie daar uiteindelijk toch een begin mee moeten maken. Dan zal ze het feit onder ogen moeten zien dat de huidige verdeling van de economische macht in Irak niet bevorderlijk is voor democratische verhoudingen of een markteconomie, en dat van buitenaf opgelegde interim-regeringen de zaken meestal alleen maar verergeren.

Laten we om te beginnen eens kijken naar de distributie van de economische macht. De Iraakse middenstand is door de jaren van dictatuur en sancties gedecimeerd. Volgens schattingen is meer dan 60 procent van de Irakezen voor hun inkomen afhankelijk van de overheid, die in de voorzienbare toekomst het grootste deel van haar inkomsten aan de olie-export zal blijven ontlenen. Maar als een eenvoudig winbare, door de overheid gecontroleerde grondstof een groot deel van het bbp voor zijn rekening neemt, kan de democratie daaronder lijden.

Neem Venezuela. De regering van Hugo Chavez werd geconfronteerd met een uitgebreide staking, die niet alleen was bedoeld om de kracht van de oppositie te tonen, maar ook om de inkomsten van de overheid af te knijpen. Zonder inkomsten kan zo'n overheid het leger of de boeven die haar aan de macht houden niet betalen.

Hoewel het ernaar uitzag dat Chavez zou vallen, werd hij gered door de olie. Er zijn maar weinig mensen nodig voor de oliewinning. Met behulp van een paar loyale (en buitenlandse) ingenieurs en genoeg nieuwe arbeiders om de stakers te vervangen, hield de regering de oliestroom gaande. Daardoor was zij verzekerd van de middelen die nodig waren voor het behoud van de loyaliteit van haar huurlingen die anders naar de oppositie zouden zijn overgestapt.

Hetzelfde verhaal gaat op voor Saddam Hoessein. Ook al is hij nu afgezet, wat zal zijn opvolger(s) ervan weerhouden de olie-inkomsten te gebruiken om het Iraakse volk te onderdrukken? Een democratie is alleen stabiel als er sprake is van een goede distributie van de economische macht, waardoor de burgers kunnen voorkomen dat een regering willekeur tentoon gaat spreiden en tiranniek wordt.

De omstandigheden waaronder democratieën tot bloei komen, zijn dezelfde als die waaronder vrije markten floreren. Als mensen niet bang hoeven te zijn dat een roofzuchtige overheid al hun bezittingen zal afnemen, en als het niet zo is dat een elite die alles aan de overheid te danken heeft, de marktregels bepaalt, kan iedereen van de geboden kansen profiteren.

Hoe moeten we dan een stevige economische basis leggen voor een stabiele democratie in het naoorlogse Irak? Het voor een deel succesvolle beleid van generaal MacArthur in Japan na de Tweede Wereldoorlog kan een richtsnoer vormen. Japan was wellicht makkelijker te transformeren dan Irak, omdat het niet beschikte over een overvloed aan eenvoudig winbare natuurlijke hulpbronnen. Maar het grondbezit was geconcentreerd en een paar grote kongsies, de zaibatsu's, hadden de industriële macht in handen. MacArthur trok ten strijde tegen die samengebalde economische macht, op grond van de veronderstelling dat grootgrondbezitters en grote bedrijven marionetten van het regime worden. De daarop volgende hervormingen verruimden het grondbezit, waardoor een agrarische wedergeboorte op gang werd gebracht en de Japanse democratie stabieler werd gemaakt.

Maar MacArthur had niet genoeg tijd om zijn werk af te maken. De behoefte aan betrouwbare leveranciers tijdens de Koreaanse Oorlog dwong hem tot een compromis met de zaibatsu's. Dat verklaart voor een deel waarom er zo weinig concurrentie is op de binnenlandse markt van Japan, ondanks de krachtige democratie.

Sommigen opperen dat het Iraakse `olieprobleem' moet worden aangepakt door aandelen in het staatsoliebedrijf aan het volk uit te delen. Dat is geen oplossing: de overheid controleert dan nog steeds de olie-inkomsten en bepaalt het dividend. Zonder toereikend beheer zullen de olie-inkomsten worden verspild aan pompeuze projecten, corruptie of herbewapening. Zelfs als het staatsoliebedrijf zou worden geprivatiseerd – of het nu aan buitenlanders wordt verkocht of niet – is er geen enkele garantie dat een toekomstige regering niet opnieuw de controle in handen zal weten te krijgen.

De beste hoop voor een duurzame, democratische markteconomie in landen als Irak ligt in de opbouw van de middenklasse, als economische macht die een tegenwicht kan vormen tegen de gevestigde belangen. Daar is in Irak een goede voedingsbodem voor, ondanks de jarenlange sancties. Een prioriteit voor iedere interim-regering moet het herstel en de verbetering van de onderwijs- en gezondheidszorginstellingen zijn, zodat zij het verloren terrein kunnen heroveren.

Een andere prioriteit is het ontwennen van de afhankelijkheid van de overheid. De wederopbouw kan leiden tot een opleving van de middenklasse, als kleine aannemers en bedrijven kansen krijgen. Het gevaar is dat de interim-regering contracten verleent aan mensen en bedrijven met goede contacten in Washington of aan de rijke, verwesterde elite in Bagdad die aanleunt tegen iedere mogelijke machthebber. De recente ervaringen in Rusland tonen aan dat het in het leven roepen van een vleierige zakenoligarchie het uitzicht op een democratische markteconomie verkleint.

Het is veel verstandiger ervoor te zorgen dat meer Iraakse ondernemingen toegang krijgen tot kredieten. Veel van de oude financieringsinstellingen zijn gecompromitteerd. De eenvoudigste oplossing is het binnenlaten van buitenlandse kredietverleners, zodat zij kapitaal kunnen verschaffen aan binnenlandse ondernemers. Ook moet het opzetten van nieuwe binnenlandse financiële instellingen worden aangemoedigd. Een dergelijk beleid zou het beleid van Napoleon III in het Frankrijk van de jaren vijftig van de negentiende eeuw weerspiegelen. Het vernietigen van de financiële macht van het Ancien Régime legde de basis voor de sterke democratische markteconomie die Frankrijk zou worden.

Dit alles kan niet in een handomdraai gebeuren. Economische instellingen moeten opnieuw opgebouwd, gerepareerd en versterkt worden. De interim-regering moet een moeilijke balanceertruc opvoeren. Ze moet voorkomen dat de Irakezen al kunnen kiezen hoe zij worden bestuurd vóór de verwezenlijking van de economische basisvoorwaarden die kunnen garanderen dat die keuze werkelijk in vrijheid wordt gemaakt. Tegelijkertijd moeten de Irakezen ervan worden overtuigd dat de interim-regering zich voor hún belangen inzet en niet voor die van de Amerikanen of de Britten. Om deze balanceerkunst tot een succes te maken is leiderschap nodig, evenals een transparant beleid en een goede communicatie. Amerika heeft dat na de Tweede Wereldoorlog in Europa en Japan laten zien. Het moet dat nu opnieuw doen.

Raghuram Rajan en Luigi Zingales zijn verbonden aan de Graduate School of Business in Chicago en auteurs van `Saving Capitalism from the Capitalists'. Raghuram G. Rajan wordt volgende maand hoofdeconoom bij het IMF.

© Project Syndicate 2003

Vertaling: Menno Grootveld