Hoezo, onze Irakezen?

,,Voor een Iraaks gezin, geen andere keus'', luidde de kop op de voorpagina van de Washington Post afgelopen vrijdag. Het is het verhaal van een Iraakse vader die door het dorp werd gedwongen om zijn zoon te doden. De zoon zou het Amerikaanse leger hebben geholpen. ,,Zelfs de profeet Abraham hoefde zijn zoon niet te doden'', zei de man in tranen. Het is een hartverscheurend beeld van het huidige Irak. Maar op pagina 14 van dezelfde krant wordt nóg een beeld geschetst, nóg een verhaal verteld over een vader en een zoon. Deze vader heeft zijn zoon aan de Amerikanen uitgeleverd omdat de zoon, een tiener met een zwak voor alcohol en vuurwapens, met een antitankwapen op een Amerikaans pantservoertuig had geschoten.

Verzin een willekeurige theorie, en je vindt er op dit moment in Irak altijd wel een bewijs voor. De Amerikaanse bezetters worden geconfronteerd met een guerrillaoorlog; zij bouwen Irak in een indrukwekkend tempo weer op; zij worden geplaagd door logistieke problemen; zij hebben een nieuwe vrijheidscultuur ontketend; zij hebben het grootste deel van het land nu vast in handen; zij staan voor een wetteloze, door misdaad geteisterde samenleving. Allemaal waar.

Toch was het besluit van de redactie van The Washington Post om het verhaal over dat dorp op de voorpagina te zetten, correct. Het grootste gevaar waarmee de VS in Irak geconfronteerd worden zijn niet de tieners met vuurwapens. Het zijn zelfs niet de guerrilla-activiteiten, die slechts sporadisch en lokaal voorkomen – al trekken ze wel militante islamieten uit andere landen aan. Troepjes schurken zullen de Amerikaanse troepen blijven bestoken en zo nu en dan zelfs iemand doden, maar dat is niet genoeg om de bezettingsmacht de voet dwars te zetten. Het grootste probleem waarvoor de Amerikanen zich geplaatst zien is het Iraakse nationalisme. Wat wij nodig hebben is minder dorpen waar samenwerking met de Amerikanen als een halsmisdaad wordt beschouwd.

Helaas maakt het beleid in Washington de kans alleen maar groter dat het Iraakse nationalisme zich ontwikkelt tot anti-Amerikanisme. Vorige week heeft de Iraakse Regeringsraad, het gremium van 25 personen dat samen met de VS het land bestuurt, negen leden gekozen die om beurten de Raad zullen voorzitten. Dit comité binnen het comité wordt het echte machtscentrum. Die groep van negen is vrijwel identiek aan de in februari van dit jaar – op aandringen van het Amerikaanse ministerie van Defensie – gevormde `Leidersraad van ballingen'. Anders gezegd: wij hebben onze lievelings-Irakezen in het hart van de Iraakse politiek neergezet. Lang niet alle groeperingen en leiders die het bewind van Saddam Hussein hebben overleefd, zullen blij zijn met de ballingen – van wie velen in geen veertig jaar in Irak waren geweest – die in het landsbestuur worden geparachuteerd.

Sommigen vragen zich af waarom een klein groepje in het Pentagon – Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz en Douglas Feith – zo fanatiek het Irak-beleid in zijn greep heeft gehouden. Zij hebben Buitenlandse Zaken volstrekt buitenspel gezet. Zij hebben pogingen om andere landen of internationale organisaties erbij te betrekken, anders dan in een louter ondergeschikte rol, gedwarsboomd. Zij hebben steeds Paul Bremer, die heel verstandig probeerde om de Regeringsraad een adviserende rol te laten spelen, aan de kant geschoven. Dit is allemaal logisch als het Pentagon in Irak een situatie wil creëren waarin de ballingen het voor het zeggen kunnen krijgen. ,,Daarom wilden zij geen uitvoerige planning voor na de oorlog, daarom willen zij geen langdurig overgangsproces, daarom zijn zij als de dood voor een grotere betrokkenheid van de Verenigde Naties. Dit alles dwingt ons om de macht snel over te dragen aan een groep betrouwbare Irakezen. En anderen dan de ballingen zijn er op het moment niet'', aldus een regeringsfunctionaris. Douglas Feith geeft toe: ,,Het is niet ons doel Irak over te dragen aan internationale organisaties. Het is ons doel Irak over te dragen aan de Irakezen.'' Als je daarin één woord verandert, krijg je het feitelijke beleid: het doel in Irak is Irak over te dragen aan onze Irakezen.

Maar dat zal niet werken. Ik heb niets tegen Ahmad Chalabi en zijn ploeg, maar geen van hen – met de Koerdische leiders als belangrijke uitzondering – heeft tot dusverre enige aanhang onder het volk. De enige mensen in Irak die op dit moment in staat lijken om menigtes op de been te brengen en aanhangers te mobiliseren, zijn stamhoofden en etnische en religieuze leiders. De meeste andere leden van de Regeringsraad behoren trouwens tot die categorieën. Dat is ook logisch, want Saddam Hussein heeft alle seculiere oppositie gedood of vermorzeld. Er resteren slechts mullahs en stamhoofden.

De voornaamste les van oorden als Bosnië is dat het na een totalitaire dictatuur tijd vergt voordat er echte democratische leiders naar voren treden. Zoals Paddy Ashdown, de internationale bestuurder in Bosnië, vaak heeft gezegd: als je het politieke proces te snel op gang brengt, speel je de mensen in de kaart die toevallig over geld, megafoons of legitimiteit in de beginperiode beschikken. Daarom hebben Bremer en zijn ploeg tijd en middelen nodig om Irak te besturen, de Regeringsraad te helpen een grondwet te ontwerpen, een bestuurlijke infrastructuur op te bouwen, en de voorwaarden te scheppen waarin een rijp politiek bestel tot ontwikkeling kan komen. Als Bremer praktische successen weet te behalen, wint hij een beetje tijd. Maar internationale steun en legitimering zouden nog meer helpen.

Fareed Zakaria is columnist van het Amerikaanse weekblad Newsweek. © Newsweek

    • Fareed Zakaria