Fabelachtig speelse dichter

Zaterdagavond overleed Willem Andries Wilmink. Hij was, na herstel van een herseninfarct in de lente van 1995, al geruime tijd opnieuw ernstig ziek.

Willem Wilmink was een liefhebber van poëzie, die kon beschikken over een fabelachtig literair associatievermogen. Dat stelde hem bijvoorbeeld in staat tot het samenstellen van bundels van gedichten over kinderen, over dieren. Het maakte hem ook tot een begenadigd hertaler van Middelnederlandse teksten: Mariken van Nieumeghen, Elckerlijc, Beatrijs – zo verwant voelde hij zich ermee, dat de lezer van zijn versies de indruk krijgt mouw aan mouw met de middeleeuwer naar een wagenspel te kijken. Vertalen deed Wilmink ook, en veel en altijd gedichten die zich drempelloos voegden naar zijn speelse geest: verzen uit het Frans (Chrétien de Troyes, Juliette Gréco), het Duits (Heinrich Heine), het Zuid-Afrikaans van Elisabeth Eybers en het Engels (onder veel meer Blake, Shelley, Byron, Brian Patten, Allen Ginsberg).

Maar de dood van Willem Wilmink berooft ons vooral van een dichter. Van de dichter. De liedjesdichter. Letterlijk, want hij was de man achter onvergetelijke, door Harry Bannink op muziek gezette, liedjes uit legendarische kindertelevisieprogramma's als De Stratemakeropzeeshow (,,Lieve Tante Truida/vraagt altijd aan mij/ wat wil je later worden in de maatschappij?''), De film van Ome Willem, Klokhuis en Sesamstraat. Hij schreef liedjes voor cabaretiers en voor troubadours als Joost Prinsen en Herman van Veen. Hij maakte musicals, zoals De Patmosprinses, over een Enschedese Carmen aan het begin van de jaren vijftig.

Liedjesdichter, ook figuurlijk. Hij zei het zelf, in 1995, in een interview met deze krant: ,,ik zie weinig onderscheid tussen gedichten en liedjes, laten we die over een kam scheren.''

Ja, laten we die over een kam scheren en Wilminks verzen lezen. Klinkend als klokjes, vertellen zijn in de grond steeds ernstige gedichten op verleidelijk lichte toon zijn leven.

Het leven van een melancholieke man, die halverwege de jaren vijftig Twente verlaat voor het roerige Amsterdam, om daar Nederlands en geschiedenis te studeren en als wetenschappelijk medewerker verbonden blijft aan de universiteit (1960-1978). Een man die in 1966 debuteert als dichter (Brief aan een Verkademeisje en andere liedjes) en in 1970 een vruchtbaar schrijverscollectief vormt met Karel Eijkman, Hans Dorrestein, Fetze Pijlman, Ries Moonen en Jan Riem. Iemand die met Zilveren en Gouden Griffels en nog veel meer bekroond wordt, met de Theo Thijssen Prijs (1988) als hoogtepunt. [Vervolg WILMINK: pagina 8]

WILMINK

Een heel leven in gedichten

[Vervolg van pagina 1] In 1990 keerde Willem Wilmink terug naar Enschede, waar hij een huis betrok op 200 meter afstand van de plek waar hij geboren was. Zijn terugkeer leidde tot een van zijn mooiste bundels, Javastraat (1991), vol titelloze gedichten die de indruk maken of hij door zijn geheugen bladert. Ingekleurd met gevoel en spetterend van de pret die Wilmink had terwijl hij ze schreef. Ogenschijnlijk simpel geschreven zijn ze, afgewogen en aangrijpend van woordkeuze en stijl.

Ze illustreren eens te meer hoe Wilmink in al zijn poëzie nastreefde gestalte te geven aan iets wat hij typeerde als `een onafgebroken bewondering voor de kinderziel'. Dat leidde tot een vracht poëzie die wonderlijk accuraat oproept hoe het voelt om kind te zijn. Het kan gaan over voetballen met een geestelijk gehandicapt jongetje (Frekie), over het enge van ruziënde ouders, en over klein leed als een dictee: ,,Jan vermeid het komietee,/ holadio, holadié,/ en de mijd bleikt heel tevre,/ wat gemakkelijk, zo'n dictee./ Heremejee... ik heb een twee.''

De kindertijdgedichten maken intrinsiek deel uit van de vraag die Wilmink, naar eigen zeggen, stukje bij beetje in zijn oeuvre probeerde te beantwoorden: ,,Wat is er waar van het verleden en wat doet het ertoe of het waar is?''

Deze vraag heeft ertoe geleid dat eo ongeveer alles wat doorslag gaf in Wilminks leven terug te vinden is in zijn gedichten. Voetbal hoorde er ook bij, en de schoonheid van het Twentse accent, en de observatie dat de gastarbeiders van vroeger, Drenten en Friezen, weinig verschillen van de Surinamers en Marokkanen van nu.

Tegelijk omlijnen Wilminks gedichten een ontwikkeling die je exemplarisch zou kunnen noemen voor zijn generatie kunstenaars en intellectuelen: mannen die na een klassieke jongensjeugd na de Tweede Wereldoorlog naar de grote stad trokken, waar ze, druk doende in een protestgeneratie, volwassen werden. Ze werden verliefd, ze trouwden, kregen kinderen. Ze gingen vreemd en ze scheidden, dat hoorde erbij en ze trouwden opnieuw. En soms, tegen de klippen, werden ze zo gelukkig in hun gezin dat ze vreesden dat het te mooi was om waar te zijn:

,,Dat denk ik dan. Maar de volgende dag/ geeft een ruzie die er weer wezen mag,/ een fraai stuk burengerucht./ En al die gedachten, mijn lekkere stuk,/ aan ziekte en ontrouw en ongeluk/ slaan ratelend op de vlucht.'' (uit: Angst voor geluk)

En altijd blijft het verlangen naar het veilige vroeger.