Dertig dichters op ontspannen Tuinfeest

Aan de vooravond van de Boekenmarkt werd in Deventer voor de zesde keer het poëziefestival Het Tuinfeest gehouden. Gerrit Komrij sprak zich voor het eerst in dichtvorm uit over het Dichterschap des Vaderlands.

,,Het regent in de straten, iedereen drinkt bier'', zong de tekstdichter Huub van der Lubbe zaterdag aan het slot van poëziefestival Het Tuinfeest. Dichterlijke vrijheid, want de avond was zwoel, hij stond op een schilderachtig pleintje en iedereen dronk rosé. Vanaf vier uur 's middags hadden bijna dertig Nederlandstalige dichters, onder wie Marjoleine de Vos en Jan Wolkers, hun werk voorgedragen in de stadstuinen van Deventer. Een deel van het historisch centrum was afgesloten om 1.300 bezoekers en een groot aantal houten zit- en eettafels te kunnen herbergen. Het Tuinfeest, het zomerse zusje van de Utrechtse Nacht van de Poëzie, was uitverkocht, en zal hopelijk volgend jaar weer een extra stukje van de Deventer binnenstad annexeren.

Moesten vorig jaar de paraplu's nog tevoorschijn worden gehaald, dit jaar was de sfeer even ontspannen als in het gedicht van Nijhoff waaraan het festival zijn naam dankt. ,,Ik doe een wat slordige keuze uit mijn oude werk'', zei Remco Campert 's middags op het Kloosterplein, het grootste van de vijf podia. Om vervolgens consequent gedichten voor te dragen over koude winters, dikke kleding (de cyclus Ode aan mijn jas) en sombere weersgesteldheden. ,,Zondag had ik me voorgesteld in de hangmat door te brengen'', begon hij een van zijn evergreens, een dromerig gedicht dat na een opsomming van mooie verwachtingen eindigde met: ,,Maar het regende.''

Andere dichters pasten hun selectie aan bij de omgeving. Zo las Bart FM Droog een gedicht over ,,het gevogelte en het geviste'' dat je tegenkomt als je de boot neemt van Deventer naar Zutphen. Ilja Leonard Pfeijffer riep in vrije verzen de hete Venetiaanse zomer op (,,duizenden drommen hun middagen af [...] in de rol van moedig genietend''). En Gerrit Komrij las ter gelegenheid van de Deventer Boekenmarkt een tragikomische cyclus over de levensloop van een boek, van manuscriptversie tot antiquarenbestaan. Ook Komrij's andere gedichten, traditioneel zwart-romantisch en gewijd aan aftakeling en verval, deden het goed in de Archieftuin, waar de klimop zich tegen de pittoreske ruïnemuren slingerde.

Later op de avond zou Komrij, als laatste dichter vóór slotact Huub van der Lubbe, nog een nieuw gedicht voorlezen waarin hij commentaar gaf op zijn status als Dichter des Vaderlands. ,,Des vaderlands, de dichter zou het willen'', luidde de eerste zin van zijn sonnet, waarin hij over zichzelf schamperde: ,,mijn verzen worden lichter, ikzelf word zwaarder'' en over zijn termijn als nationale dichter: ,,of aan die vijf jaar nooit een eind komt''.

In de slotzin sprak Komrij, die eerder deze maand al opzien baarde met zijn aanval op de volgevreten leden van zijn generatie, zichzelf nog eens streng toe: ,,Rijbroek aan, en hobbel op je paard naar Portugal.''

De gevestigde dichters werden het gretigst geslikt door het Deventer publiek, dat overwegend uit veertigers en vijftigers bestond. Ramona Maramis, die in 2000 debuteerde met Duckstad aan de Amstel, kreeg weinig weerklank met haar gedichten ,,voor een jeugdig publiek'' (,,We vieren bot/ en vangen niets''). De plezierdichter Adriaan Jaeggi (van de bundel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten) kreeg de lachers moeizaam op zijn hand. In de Athenaeumtuin, het kleinste en sfeervolste podium van het festival, was toen de avond al gevallen. Een huilende hond aan de andere kant van de muur verleidde Jaeggi tot een quasi-wanhopige uitspraak: ,,Remco Campert stond tussen de kwinkelerende vogels, en wat krijg ik? Honden.''