De vrouwtjes

Met enige regelmaat word ik aangesproken door mensen die in mij een medestander zoeken voor hun taalergernis. Ze weten dat ik vaak over taal schrijf en daarom willen ze van mij weten, nee, daarom gaan zij er min of meer van uit dat ook ík mij doorlopend groen en geel erger aan... En dan volgt de observatie van een of ander taalverschijnsel. Het kan bijvoorbeeld om een tussen-s gaan die vroeger fout werd gerekend (,,Iedereen zegt tegenwoordig maar alSmaar''), een zinsconstructie, een veelvoorkomende spelfout in de krant (ben ik weleens over opgebeld), een uitspraak (son in plaats van zon) of de opmars van een woord, zoals plek, dat sinds enkele decennia plaats aan het verdringen is. Hun verzoek om adhesie loopt vrijwel altijd op een teleurstelling uit. Ach, zeg ik, een levende taal is in beweging en dus verandert er af en toe wat, wees blij. En nee, zeg ik, ik erger mij niet aan taal, ik verwonder mij erover. Ik geniet juist van al die beweging, van al die variëteit, van dat contrast tussen lelijk en mooi, van de levendigheid en ongebondenheid van onze taal.

Erger ik mij dan helemaal nooit aan taal? Nee, dat is ook niet waar, maar eigenlijk schiet mij slechts één echte ergernis te binnen en dat is deze: ik erger mij aan vrouwen die een andere vrouw een vrouwtje noemen. ,,Dat is een heel leuk vrouwtje'', ,,er komt zo nog een vrouwtje'', ,,zegt dat vrouwtje tegen mij'' – ik vind het niet kunnen, en zeker niet als de ene vrouw dit over een andere vrouw zegt.

Ik vind dat beledigend, denigrerend, verraad van je eigen soort. Als mannen vrouwtje zeggen vind ik dat ook storend, maar – het zal wel seksistisch wezen – lang niet zo ergerlijk. Tja, mannen, bij sommige types kun je erop wachten.

Taalkundig gezien deugt mijn ergernis van geen kant, zoals zo vaak bij taalergernissen. In de eerste plaats moet je vaststellen dat vrouwtje lang niet altijd denigrerend hoeft te zijn. Een vrouwtje kan simpelweg een `kleine vrouw' zijn, en als je bijvoorbeeld een kleine, oude vrouw een ,,klein vrouwtje'' noemt, kan dat niet alleen neutraal maar zelfs liefdevol zijn bedoeld.

Daarnaast kun je volhouden dat er echt zoiets bestaat als een vrouwtje. Aan de kleine kant, opgewonden standje, preuts, alles tiptop in orde, tuthola eerste klas – je hebt de vreselijkste vrouwtjes. Mannetjes heb je ook (,,echt zo'n mannetje''), maar ik moet bekennen dat ik een minder duidelijk beeld heb bij mannetjes dan bij vrouwtjes.

Dat zo'n echt vrouwtje door mannen of vrouwen wordt gekenschetst als een vrouwtje, daar heb ik geen enkele moeite mee, maar er zijn vrouwen die vrouwen die overduidelijk geen vrouwtje zijn een vrouwtje noemen. Wellicht moet u voorgaande zin twee keer lezen, maar ik hoop dat u mij nog kunt volgen. Ik heb vrouwen weleens aangesproken op hun gebruik van vrouwtje. Nee, hielden zij bij hoog en laag vol, zij bedoelden dat helemaal niet neerbuigend. Zo zeiden ze dat gewoon, een volkomen neutrale term voor hun seksegenoten.

De Grote Van Dale heeft een knappe beschrijving bij vrouwtje, die meteen laat zien hoezeer de gevoelswaarde van een woord uiteen kan lopen. Vrouwtje, schrijft dit woordenboek, kan onder meer worden gebruikt ,,met min of meer vertederde of liefkozende gevoelsnuance'' (voorbeeldzinnen: ,,hij heeft een lief vrouwtje''; ,,het jonge vrouwtje''), het kan worden gebruikt als ,,liefkozende benaming voor zeer jonge meisjes'' (voorbeeldzin: ,, neen vrouwtje, dat gaat zo niet''), het kan een minachtende aanspreekvorm zijn (,,wat denk je ervan, vrouwtje?'') en het kan neutraal worden gebruikt voor `kleine vrouw'. Dan is er nog de ,, gedachte aan het seksuele'' in de uitdrukking ,,hij kijkt te veel naar de vrouwtjes''. En dan zijn er óók nog honderdduizenden onmiskenbare niet-vrouwtjes die dagelijks tegen hun huisdier zeggen: ,,Kom maar bij het vrouwtje.''

Kortom, ik had beter moeten weten: ook hier is verwondering beter op z'n plaats dan ergernis.

Reacties naar Sanders@nrc.nl Zie ook WoordHoek op donderdag op www.nrc.nl

    • Ewoud Sanders