Publieke omroep verwaarloost `Europa'

De bekendheid van de Nederlandse bevolking met het werk van de Europese Conventie is bedroevend. De minimale belangstelling van `Hilversum' voor `Brussel' is hier debet aan, vindt Peter de Goede.

De Nederlandse bevolking is slecht geïnformeerd over de Europese Conventie. Dat blijkt uit opinieonderzoek in opdracht van de Europese Commissie (Eurobarometer 59, juli 2003). Een ruime meerderheid (65 procent) van de ruim duizend ondervraagde Nederlanders weet niet dat de Europese Conventie werkt aan hervormingsvoorstellen voor de Europese Unie.

Van de respondenten weet 55 procent niet dat de Nederlandse regering vertegenwoordigd is in de Conventie en 65 procent weet niet dat Nederlandse parlementariërs ook deelnemen aan de Conventie. Een overgrote meerderheid (79 procent) weet niet dat de lidstaten het eindvoorstel van de Conventie nog kunnen amenderen. Ten slotte weet 83 procent niet dat de regeringen van de kandidaat-lidstaten ook vertegenwoordigd zijn in de Conventie.

Deze bedroevende resultaten zijn mede toe te schrijven aan de geringe aandacht van de publieke omroep voor de Conventie. De publieke omroep heeft in het algemeen weinig oog voor de Europese Unie. Waarom is er niet een Europees equivalent van `Den Haag Vandaag'?

Kennelijk is `Hilversum' nog steeds niet doordrongen van het feit dat een groot deel van `de politiek' zich van Den Haag heeft verplaatst naar Brussel. Natuurlijk wordt bericht over incidenten als de uitglijder van Berlusconi in het Europees Parlement. Natuurlijk is `Europa' niet geheel afwezig in de informatieve programma's van de publieke omroep, maar het blijft doorgaans beperkt tot het obligaat volgen van de Europese toppen met staatshoofden en regeringsleiders die uit hun limousines stappen en poseren voor hun onvermijdelijke groepsportret. Weinig achtergrondinformatie en zelfstandige agendering van belangrijke onderwerpen, weinig dialoog tussen verschillende visies op de EU, weinig stimulering van kennis en betrokkenheid van burgers, weinig controle op de hoofdrolspelers door ze ter verantwoording te roepen.

Waarom wordt niet op een meer systematische en continue basis bericht over wat zoal speelt in de Europese Unie? In het Concessiebeleidsplan 2000-2010 van de publieke omroep werd erkend dat aan Europa meer aandacht moest worden geschonken. Een programma als `Brussel Vandaag' werd echter niet gezien als de meest passende wijze waarop dat zou kunnen gebeuren. Misschien is dat ook wel zo en moet er veel meer energie en creativiteit geïnvesteerd worden in het voor een breed publiek vertalen en toegankelijk maken van wat er speelt in Brussel. Het Concessiebeleidsplan 2000-2010 maakte gewag van `plannen' om de aandacht voor Europa verder uit te werken. Wat is daarvan terechtgekomen? Plannen vullen geen programma's.

De publieke omroep heeft een wettelijke taak. De overheid betaalt voor het vervullen van die taak jaarlijks ongeveer 600 miljoen euro. In ruil daarvoor is de publieke omroep – in tegenstelling tot de commerciële omroep die zijn eigen broek moet ophouden – aan allerlei voorschriften gebonden.

Zo moet van de totale zendtijd voor televisie minstens 35 procent worden gebruikt voor onderdelen van informatieve en educatieve aard (Mediawet, artikel 50). En de NOS moet haar zendtijd onder meer gebruiken voor de dagelijkse nieuwsvoorziening en de verslaggeving over Nederlandse én 'Europese parlementaire aangelegenheden' (Mediabesluit, artikel 16).

Hier verzaakt de publieke omroep. De verslaggeving over 'Europa' komt er bekaaid van af, terwijl die wél tot de wettelijke core business van de publieke omroep behoort. En dat terwijl het komende jaar de Europese agenda overvol is: de Intergouvernementele Conferentie (IGC) over het rapport van de Conventie (begint op 4 oktober); de verkiezingen voor het Europees Parlement (juni 2004), de vorming van een nieuwe Europese Commissie en het Nederlandse voorzitterschap in de tweede helft van 2004.

Het komende jaar behoort ook een nationaal referendum over de nieuwe Europese Grondwet tot de mogelijkheden. De gebrekkige kennis over `Europa' zouden tegenstanders van het referendum kunnen aangrijpen om er maar van af te zien. Waarom de finale besluitvorming over de hervormingsvoorstellen in handen leggen van slecht geïnformeerde burgers?

De omgekeerde reactie is echter ook denkbaar: het referendum aangrijpen als middel om kennis van en betrokkenheid bij de EU te vergroten. Daar zou ik wel voor zijn, mits de publieke omroep zijn taak in deze eindelijk serieus gaat nemen. Als `Hilversum' het nog langer laat afweten dient het Commissariaat voor de Media, belast met het toezicht op de naleving van de programmavoorschriften, in actie te komen.

Dr. P.J.M. de Goede is bestuurskundige en gepromoveerd op het proefschrift `Omroepbeleid met en tegen de tijd. Interacties en instituties in het Nederlandse omroepbestel, 1919-1999'. Hij is als senior adviseur werkzaam bij de Raad voor het openbaar bestuur.

Eerder stukken over de toekomst van de publieke omroep verschenen op 14 en 15 juli op de opiniepagina. Ze zijn na te lezen op

www.nrc.nl/opinie