Ontheilig het eindexamen

Nog enkele weken en dan beginnen ongeveer tweehonderdduizend scholieren aan een verloren laatste cursusjaar. Een verloren jaar, omdat daarin zo goed als niets nieuws aan de orde wordt gesteld en alle aandacht is gericht op schoolonderzoeken en het eindexamen.

Het eindexamen lijkt heilig te zijn. Hoe ook vanuit allerlei hoeken betoogd wordt dat deze manier van kwaliteitsbewaking hoogstwaarschijnlijk niet zo valide is, dat ook aan de betrouwbaarheid van het systeem getwijfeld kan worden en dat de maatschappelijke kosten de baten ver overtreffen – stug wordt doorgegaan op deze heilloze weg. Voordeel van een uniform eindexamen lijkt te zijn dat voor iedereen geldt: gelijke monniken, gelijke kappen. Van Groningen tot Maastricht is het eindexamen gelijk.

Er lijkt veel voor te zeggen om landelijk vast te stellen welke eisen voor opleidingen gelden, maar dit impliceert geenszins dat die eisen uitsluitend landelijk en op hetzelfde moment moeten worden getoetst. En is het wel nodig om in het onderwijs alle eisen centraal vast te stellen? Kan niet worden volstaan met centraal een minimumpakket op te stellen en voor de rest de scholen en dus de leerlingen vrijheid te geven? Het is toch van de gekke om in een zeer kort tijdsbestek een betrekkelijk groot aantal vakken te toetsen.

In een ver verleden was het op de universiteit ook gewoonte om op één dag een aantal tentamens over verschillende vakken af te nemen. Deze buitengewoon onverstandige manier van examineren is in het hoger onderwijs echter al lang geleden geëlimineerd. Des te merkwaardiger dat in het voortgezet onderwijs men maar blijft vasthouden aan dit in de tijd gecomprimeerde examineren.

Onderzoek wijst uit dat leerlingen worden gestimuleerd als in het onderwijs gebruik wordt gemaakt van het onderwijs- toetsings- en beloningsmodel. Al jarenlang vecht onderwijskundige Wijnen terecht tegen het ontkoppelen van het leerproces en het beloningssysteem. Het centrale eindexamen is niets anders dan één groot ontkoppelsysteem.

Het centrale eindexamen is als toets waarschijnlijk wel betrouwbaar in die zin dat bij herhaling de kandidaten een cijfer in de buurt scoren; het examen is geen gok. Maar, wat wordt getoetst? Dat leerlingen wat kunnen met wat zij weten kan in het huidige systeem moeilijk worden getoetst. Leerlingen maken op school een langjarige onderwijs- en vormingsperiode door, waarvan de resultaten het beste in bijvoorbeeld een portfolio zouden kunnen worden opgeslagen.

Uiteraard moet zo'n verslag ook betrouwbaar zijn en daarvoor zijn extern toezicht en externe controle noodzakelijk. Waarom wordt niet op landelijk niveau per opleidingsrichting een verzameling minimumnormen geformuleerd? Die normen vormen niet het gewenste eindniveau voor elke onderwijsvorm, maar geven een basis aan waar bovenop elke school een eigen programma mag vormgeven.

Op deze wijze kan elke school inhoud en vorm van het onderwijs naar eigen inzicht en aangepast aan wat school en leerlingen willen, invullen. Scholen krijgen hierdoor weer een eigen gezicht en leraren krijgen de vrijheid die professionals nodig hebben om hun vak met plezier uit te oefenen.

Over het vrije invulpercentage per schoolsoort kan worden gediscussieerd; mij lijkt een vrije ruimte van ongeveer 40 procent van het totale curriculum een goed begin. Natuurlijk heeft ook dit voorstel risico's. Aan de ene kant invulling door pretprogramma's, aan de andere kant overdreven super-iq gedoe.

Het onderwijs heeft – zoals bekend – niet vaak de neiging het hoofd buiten de deur te steken. Scholen doen dingen het liefst zelf, intercollegiale samenwerking wordt verbaal toegejuicht, maar in de praktijk is het onderwijs een eilandenrijk. Om de zaak wat transparanter te maken zou gedacht kunnen worden aan uitwisseling van leerkrachten, die in de laatste jaren les geven.

Interscolaire uitwisseling en toetsing zouden wat dat betreft niet alleen positief kunnen werken ten aanzien van de waarborging van de kwaliteit van het onderwijs, maar zouden ook uitwisseling van ontwikkelde onderwijsmiddelen positief kunnen beïnvloeden. Of de leerlingen voldoen aan een centraal vastgesteld minimumniveau per vak kan zeer goed via een testdatabase op verschillende momenten in het jaar worden vastgesteld. Wie deze test heeft doorstaan, heeft als het ware een eindtentamen afgelegd. Volgens directeur Roorda van de Citogroep heeft men al de kennis in huis om dit systeem in te voeren (Opiniepagina, 14 juli). Waarom nog gewacht, zou ik zeggen.

Minder gelukkig ben ik met zijn opvatting dat iedereen volgens dezelfde norm getoetst moet worden. Dat het vervolgonderwijs, bij het ontbreken van een centraal eindexamen meteen toelatingsexamens zou gaan instellen, betwijfel ik zeer en dat het diploma geen `objectieve waarde' meer zou hebben is ook zeer de vraag.

Wij hebben nu een gemengd systeem van schoolonderzoeken en centraal eindexamen. Bij de schoolonderzoeken kunnen soms vragen worden gesteld en het centraal eindexamen is didactisch een onding. Leerlingen moeten gedurende de gehele schoolperiode regelmatig beloond of `gestraft' worden voor de door hen geleverde prestaties. De studievoortgang moet regelmatig worden getoetst en geadministreerd. En ten slotte moet het inhoudelijke centrale keurslijf niet meer dan het strikt noodzakelijke omvatten.

Als leraren en leerlingen de vrijheid krijgen om zelf hun leerinhouden en leerwegen te kiezen, kan daar – mits sprake is van adequaat toezicht en controle op het niveau – iets heel moois uit groeien. Het valt te voorspellen dat `hogere' opleidingen altijd ontevreden zullen zijn over het eindniveau van de `lagere'.

Door het vaststellen van minimumnormen en het doorzichtig en controleerbaar maken wat in de gehele voorgaande periode is bereikt, kan veel `theebabbel' worden geëlimineerd.

Welke minister van Onderwijs durft nu eens echt te gaan dereguleren?

Prof.mr.drs. J.Th. Degenkamp is oud-hoogleraar rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen.