Hondje en ik en de gestolen auto's in die machtige stad

Omwille van de liefde voor onze stad, hadden we gisteravond misschien beter thuis kunnen blijven.

Volgens het vaste stramien gingen het hondje en ik in het schemerduister van huis. Hondje deed, als altijd, zijn eerste plas tegen de bananenboom van de vorig jaar overleden Oom Smith, een verzuurde racist. God hebbe zijn ziel. In het schijnsel van de ondergaande zon beklommen we, hondje iets sneller dan ik, de Melville Koppies en in stilte staarden we over Johannesburg. En we vroegen het ons weer af. Was de groene stad, zo vol verhalen, met het machtige achterland van Zuid-Afrika, een plek waar we later wilden sterven, hondje iets eerder dan ik?

Op de terugweg kregen we allebei een vreemd gevoel bij de jongens die nerveus rond de witte Golf bij de overburen dribbelden. Ze maakten zich onmiddellijk uit de voeten toen ze het plassende hondje in het vizier kregen. Dat was gek, want zo groot is hondje nu ook weer niet.

Over autodieven hebben we na anderhalf jaar Johannesburg inmiddels behoorlijk wat gehoord en gelezen. De vorige dag nog hadden de kranten, ietwat lacherig, bericht over de woordvoerder van president Mbeki, die onder bedreiging van een vuurwapen zijn BMW had moeten afgeven. In dezelfde week was ook de staatssecretaris van Publieke Werken van zijn dienstauto beroofd bij een benzinestation.

En we waren zelf ook al slachtoffer geworden van Zuid-Afrika's bloeiende misdaadindustrie. Nog geen twee weken geleden hadden hondje en ik, op zo'n zelfde avondwandeling, onze eigen Golf twee straten verderop teruggevonden, vlakbij het huis van Oom Smith. De waarschuwingslichten hadden wild geknipperd, het grote licht had aangestaan. Pas toen we de nummerplaat goed lazen, drong het tot ons door dat die van onze eigen auto was, die we drie kwartier eerder voor de garagedeur hadden geparkeerd.

Aan de doorgedraaide stuurkolom en de wirwar van draden die door het gat van de ventilator naar buiten hing, hadden we ongeveer kunnen opmaken hoe de dieven te werk waren gegaan. Dat de auto niet verder was gekomen dan het huis van Oom Smith, had ons blij maar ook onrustig gemaakt. Wat als de dieven nog in de buurt waren om hun tweede kans af te wachten? De politie had die vraag niet interessant gevonden en was niet meer komen kijken. De verlaten Golf hadden we toen zelf maar naar huis geduwd.

Hondje en ik stonden gisteravond, bij het zien van dat nerveuze gehol in de straat, voor een interessant dilemma. Zouden we op zoek gaan naar de eigenaar van de witte Golf en hem waarschuwen voor het dreigend gevaar? Of zouden we even wachten, om eindelijk antwoord te krijgen op de vraag wie al die auto's steelt in onze misschien iets te blanke maar toch schattige woonwijk? We kozen voor het laatste en stelden ons verdekt op in de schaduw van een grote boom. Hondje ging er voor het gemak bij liggen.

Twee minuten later verscheen de rode Mazda waarin de jongens eerder waren weg gespurt. We lazen het nummerbord: NCB475 GP en beloofden elkaar plechtig dat nummer nooit meer te vergeten. Terwijl de Mazda vijf meter van onze uitkijkpost werd geparkeerd, prevelde ik stilletjes een schietgebed opdat hondje voor deze ene keer zijn mond zou houden.

We telden vier jongens en noemden ze chauffeur, wachter en de specialisten. Chauffeur bleef in de Mazda. Wachter ging op uitkijk en siste herhaaldelijk waarschuwingen over voorbijgangers. De specialisten zaten voor hondje het in de gaten had al in de witte Golf. De ramen bleven heel, net als in onze eigen auto.

We hoorden wat gekraak en zagen de Golf 180 graden draaien, zodat de neus van de auto helling-af kwam te staan. Eén van de specialisten rende nog een keer op en neer door de straat en kwam zo dicht bij de grote boom dat hondje hem bijna kon aanraken. Toen begon de Golf te rollen, sloeg aan en verdween net als de Mazda, de specialisten, wachter en chauffeur om de hoek.

We hebben de politie nog gebeld en verteld over NCB475 GP. De agent zou het noteren en heeft sindsdien niet meer teruggebeld. We vroegen ons nog af of de specialisten ook zo snel met huisdeuren zouden zijn. Of ze wapens hadden. En of de politie in zulke noodgevallen wel zou komen. Hondje en ik hielden nog steeds van Johannesburg maar besloten liever ergens anders te willen sterven.