HOEWEL DE HOND HET VOORWERP NIET ZIET WEET HIJ DAT HET ER IS

Dieren weten schijnbaar verdwenen objecten, zoals prooidieren die zich verstoppen, goed te vinden. Het hoogste niveau van lokaliseren en daadwerkelijk vinden van verborgen objecten is gebaseerd op spontaan en actief zoekgedrag. Het dier lijkt het onzichtbare object figuurlijk voor ogen te hebben. Hier speelt een belangrijk cognitief vermogen een rol: objectpermanentie. Dat is het besef dat voorwerpen blijven bestaan, ook al worden ze niet meer waargenomen.

Onlangs werd dit begrip, bekend van de ontwikkelingspsycholoog Piaget, bij uiteenlopende diersoorten bekeken. Voedsel verstoppende vogels beheersen objectpermanentie en lever daarmee grote geheugenprestaties. En honden doen het in vergelijking met andere zoogdieren ook heel aardig. Maar is het wel echte objectpermanentie? Misschien zijn er toch nog andere geheugensteuntje. Drie Canadese psychologen hebben nu vastgesteld dat honden (Canis familiaris) inderdaad in staat zijn tot louter mentale representatie voor het gericht onthouden van zaken die er voor hen toe doen. (Animal Cognition 6/1 2003, blz. 1-10).

Tot nu toe kon niet worden uitgesloten dat honden zich bij experimenten met verdwijnende objecten voorzagen van een visueel geheugensteuntje. Bij de standaardaanpak van zogenoemde Visual Displacement (VD) experimenten wordt het dier met een rij identieke boxen geconfronteerd. Duidelijk zichtbaar wordt achter een daarvan het gewild object verstopt. Na bepaalde tijd mag het dier gaan zoeken, en als het direct op de juiste box afstevent, is het antwoord goed. Eerder bleek al dat honden in de tussentijd niet permanent naar de box met gewenste inhoud blijven kijken, om die letterlijk voor ogen te houden. Maar wel keken ze om de zoveel tijd even naar die box, waarmee ze mogelijk hun geheugen reactiveerden. De Canadezen voegden daarom een element toe. Na het verdwijnen van het voorwerp lieten zij een ondoorzichtig scherm neerzakken dat de complete proefopstelling aan het hondenoog onttrok.

Enig uitstel werd geïntroduceerd tussen het verdwijnen van een bewegend object een speeltje naar keuze van het proefdier achter één van vier boxen en het begin van het zoeken. Dat varieerde gaandeweg van nul en tien tot 240 seconden. De trefzekerheid van de honden nam af met het toenemen van het interval, van een negentig tot een vijftig procentscore, maar de dieren scoorden ook na vier volle minuten nog flink beter dan je bij toeval mag verwachten. Het ondoorzichtige scherm bleek maar weinig aan de prestaties af te doen.

De honden gebruikten, behalve het kijken, geen ander fysiek geheugensteuntje, zoals het met de kop en het lijf in de juiste richting blijven staan, op het verstopt object gericht. Alles duidt erop dat ze tijdens het interval een actieve mentale representatie van het voorwerp onderhouden, waarmee ze het in hun geheugen vasthouden. Aanvankelijk nauwkeurig, gaandeweg wat vager, maar goed genoeg om ongeveer in de juiste richting te gaan zoeken.

    • Frans van der Helm