De schoen van Chroesjtsjov

Als over een maand of drie premier Balkenende op het hoogtepunt van de Algemene Beschouwingen in het Tweede Kamer opeens zijn schoen uittrekt en daarmee op tafel slaat, is dat nog dezelfde dag tegen de honderd keer in de herhaling te zien, wordt het door deskundigen in praatprogramma's nader verklaard, door alle columnisten naar de maatstaven van het `fatsoen moet je doen' beoordeeld, komt het in het week- en het jaaroverzicht, en de premier zelf in de geschiedenisboekjes. Jan Peter Balkenende heeft met zijn schoen op tafel geslagen, dat staat voor eeuwig vast. Duidelijkheid en daadkracht!

Hoe komt het dan dat niemand met zekerheid kan zeggen of premier Nikita Chroesjtsjov van de Sovjet-Unie op 13 oktober 1960 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met zijn schoen op zijn lessenaar heeft geslagen? Strikt voor mezelf sprekend: ik zie het nóg voor me. De boze, dikke man trekt met een snelle beweging zijn rechterschoen uit (hij zat aan het einde van een rij) en begint te timmeren. Schrik en ontsteltenis in de omgeving, maar ook gelach. Het is de beroemde reeks vergaderingen waaraan ook Fidel Castro heeft deelgenomen. Time heeft er zijn omslag aan gewijd: een tekening van Herblock (Herbert L. Block, 1909-2001), waarop Chroesjtsjov, Castro en hun makkers als een honkbalnegental New York binnentrekken. Ze gaan de zaak verbouwen.

Nu heeft de Amerikaanse historicus William Taubman een artikeltje geschreven (International Herald Tribune van 26 juli) waarin hij de zekerheid van de schoen probeert te ondermijnen. Van zijn hand is al een boek verschenen, Krushchev, The Man and His Era, waaruit we mogen afleiden dat hij niet over één nacht ijs gaat. In zijn nader onderzoek naar het schoen-incident heeft hij ten minste zeven door hem met name genoemde, betrouwbare mensen gesproken, van wie vaststaat dat ze erbij zijn geweest. Een agent van de KGB bezwoer dat de sovjetleider met zijn schoen op de lessenaar sloeg, ,,ritmisch, als een metronoom''. Een verslaggever van The New York Times verklaarde dat hij alleen met de schoen had gedreigd, in de richting van de Filippijnse afgevaardigde, die kritiek op Moskou had geuit. Een andere man van dezelfde krant zei: ,,Ik heb feitelijk Chroesjtsjov niet met zijn schoen zien slaan.''

Ook in die tijd kwamen belangrijke gebeurtenissen al op de televisie. Maar hoe vreemd dat mag klinken, er is in de archieven geen bewijsmateriaal te vinden. Wat niet wil zeggen dat het er niet geweest is, want Taubman zelf heeft op internet een foto gevonden van de schoen, een lichtbruine sandaal, liggend op de lessenaar. Dat is nog niet het moment waarop de slag wordt toegebracht, schrijft hij. Ik heb die foto niet kunnen vinden. Maar oordelend naar de beschrijving van Taubman lijkt het mij een sterke aanwijzing dat er wél geslagen is. Want: veel mensen trekken in vergaderingen een schoen uit, maar geen legt die voor zich op tafel. Tenzij met een bijzondere bedoeling, en Chroesjtsjov was er de man niet naar om het bij bedoelingen te laten.

Andere vraag. Is het van belang om zeker te weten of er wel dan niet met de schoen is geslagen? Is het niet een historische vorm van het godsdienstig ietsisme? In het oorspronkelijk ietsisme (het door Ronald Plasterk in Intermediair van 20 november 1997 gelanceerde begrip) geloof je dat er ,,iets van een God moet zijn'', omdat het anders zo'n kale en onverklaarbare boel is. Zo zou de ietsist in dit geval geloven dat er ,,iets met die schoen'' is geweest. Wat precies? Doet er niet toe. De schoen past in het historisch complex.

In de zomer van 1932 heb ik in het Zeister Bos, niet ver van het Bisonpark, een kabouter gezien. Hij droeg een lange, felrode puntmuts; had een zakje over de rechterschouder. Ik was vijf, stond sceptisch tegenover de sprookjeswereld. ,,Kijk! Dat lijkt wel een kabouter!'', zei ik tegen mijn moeder. ,,Zeker'', zei ze. ,,In dit bos wonen er een stuk of tien.'' Ik kan haar niet meer om bevestiging vragen. Maar sluit ik nu mijn ogen, dan kan ik aan de binnenkant van mijn oogleden deze kabouter oproepen, dravend in de schemer van het geboomte.

Hoort de schoen van Chroesjtsjov tot dezelfde orde? Ach, zou je zeggen, kom niet aan zo'n schilderachtige legende. Daar zit iets in. Toch vind ik dat het tot op de bodem moet worden uitgezocht, ten eerste omdat dit nu eenmaal het mooie van het uitzoeken is. En dan omdat je het zeker wilt weten. In 1960 was de televisie als propagandamiddel voor politici nog in een betrekkelijk primitief stadium.

Chroesjtsjov was een natuurtalent. Denk ook aan het beroemde `keukendebat' met Richard Nixon, toen vice-president, en aan zijn uitspraak: `Wij zullen jullie begraven.' Niet uitgesloten dat hij het slaan, of het dreigen met de schoen als gimmick heeft gebruikt. Dat hij daar later over heeft gesproken, met Castro, wie dan ook, en dat ze het incident hebben geëvalueerd; want zo gaat het met gimmicks.

Onze hedendaagse wereldleiders zijn voor het grootste deel uit gimmicks opgebouwd. Voor ieder speciaal effect hebben ze al een speciaal talent in dienst. Bill Clinton had een speciale grappenverzinner. Niemand kan zo kwiek naar het katheder lopen als George Bush. Kijk goed, probeer het zelf eens in de tuin of in de kamer en verbaas uw huisgenoten. Niemand kan tussen zijn grote handen zoveel lucht verplaatsen als Jacques Chirac. Niemand zo ongelofelijk vroom kijken als Silvio Berlusconi. Dat is allemaal nauwkeurig op de televisie vastgelegd. Zonder televisie zouden er geen gimmicks zijn, maar ook: zonder televisie zouden we dat niet zo precies weten. Televisie is dus de oorzaak van deze grote vergeefsheid: het perpetuum mobile in drie fasen: nep-registratie-ontmaskering. Als het niet helemaal klopt, hoor ik het wel.

Heeft Chroesjtsjov met zijn schoen geslagen, ja of nee? Er zijn nog genoeg getuigen die het hebben gezien, en ik wil het weten, ook al kost het me een illusie.