DE MOORDMACHINE

In het Koerdische noorden en het shi'itische zuiden van Irak zijn na de eerste Golfoorlog tienduizenden mensen door het regime geëxecuteerd.

Peter Bouckaert van Human Rights Watch zocht met de familieleden naar hun vermiste doden.

'Het grootste massavernietigingswapen in Irak was het eigen regime en het voornaamste slachtoffer het Iraakse volk.'

Na de Golfoorlog van 1991 vonden in het Koerdische noorden en het shi'itische zuiden van Irak op grote schaal opstanden tegen het regime plaats. Deze waren tot op zekere hoogte geïnspireerd door de toenmalige Amerikaanse president George Bush sr, die via de media het Iraakse volk had opgeroepen 'het heft in eigen handen te nemen om de dictator Saddam Hussein te dwingen af te treden'.

Toen rechtstreekse Amerikaanse steun voor de opstand uitbleef, wist de Iraakse regering weer orde te scheppen onder de loyalisten in het leger, waarna zij met steun van kaderleden van de Ba'ath-partij en geallieerde stammen onverwijld een meedogenloos tegenoffensief tegen de rebellen ondernam.

Nadat de opstanden in het noorden en zuiden waren neergeslagen, begon de Iraakse regering in het wilde weg tienduizenden mensen te arresteren op verdenking van steun aan de rebellie. In de ene zuidelijke stad na de andere zetten loyale troepen controleposten op en gingen zij van huis tot huis om verdachten aan te houden. Talloze burgers werden gearresteerd en 'verdwenen', soms met hele gezinnen tegelijk.

De meeste verwanten van 'verdwenen' personen hebben nooit kunnen achterhalen wat er na de arrestatie met hun dierbaren is gebeurd. Er waren wel Irakezen die wisten wat er met de 'verdwenen' personen was gebeurd, maar zij hielden jarenlang hun mond. Zij wisten dat ze zouden worden gedood als de Iraakse regering hen te pakken kreeg. Na de val van het Iraakse bewind kwamen zij eindelijk voor de dag met hun verhalen.

Nasir al-Husseini was pas twaalf toen hij, op weg naar het huis van zijn grootvader bij al-Hillah, samen met zijn moeder en nog twee twaalfjarige familieleden door Iraakse soldaten werd aangehouden. De familie werd naar de naburige legerplaats al-Mahawil gebracht, waar zij samen met honderden andere arrestanten werd ondergebracht in een grote hal. Op de tweede dag van hun gevangenschap, 18 maart 1991, werden zij naar buiten gebracht. 'Ze brachten dekens mee, die ze aan repen scheurden, en daarmee bonden ze onze handen vast en blinddoekten ze ons', herinnert Nasir zich. 'Zij bedekten onze ogen en zetten ons in een paar bussen die ze in Koeweit hadden gestolen. Wij zaten met zo'n vijfenveertig, vijftig mensen in een bus. Het was propvol, met twee mensen op iedere zitplaats.'

De bus reed naar een zandpad achter een naburige steenfabriek, waar al een aantal sleuven waren gegraven. Toen ze uit de bus werden gesleurd, greep Nasirs moeder hem bij zijn handen en zei dat hij de islamitische geloofsbelijde-nis moest opzeggen, 'want wij gaan dadelijk sterven'. Nasir vertelde me wat er toen gebeurde: 'Ze gooiden ons in de graven. Toen ik erin viel, lagen er een heleboel lichamen onder me. Ik kwam erbovenop liggen. Ze openden het vuur op ons.' Wonder boven wonder overleefde Nasir dat. Er kwam een bulldozer om de doden te begraven, maar Nasir wist weg te kruipen en te vluchten.

Het was de eerste keer dat Nasir, nu een man van 25, zijn verhaal aan een buitenlander durfde te vertellen. Tijdens ons gesprek in zijn woning klonken er luide islamitische teksten vanuit de naburige moskee. Daar werd eindelijk een overlijdensdienst gehouden voor zijn moeder en zijn neven, die tijdens de massaexecutie stierven, terwijl ze zijn hand vasthielden. De stilte is verbroken.

Nasir is niet de enige getuige. Toen ze het massagraf bij al-Mahawil gingen opgraven, reed ik voorbij het graf een zandpad af om te praten met boeren uit de buurt. Sayyid Jabir al-Husseini zei mij dat hij op deze plaats bijna een maand lang driemaal daags executies had gezien: 'Voordat ze deze mensen hier brachten, groeven ze kuilen met een bulldozer. Militairen zetten het gebied af, zodat niemand erbij kon komen. Ze duwden de aangevoerde mensen met vastgebonden handen en geblinddoekt de kuilen in. Daarna begonnen ze uit alle macht te schieten. Dan kwamen ze met bulldozers om de mensen te begraven. En dan maakten die schurken zich gereed voor de tweede en derde groep slachtoffers.'

Bijna alle steden in Zuid-Irak zijn omringd met massagraven, waarvan sommige duizenden lijken bevatten. Rond de betrekkelijk kleine stad al-Hillah zijn tot dusverre vier massagraven van de opstanden uit 1991 gevonden. Twee grote graven zijn ontdekt bij de legerplaats al-Mahawil, 20 kilometer ten noorden van al-Hillah, waar de meeste gedetineerden voor hun executie werden vastgehouden. Een van de massagraven bij al-Mahawil, dat in een open veld ligt, bevatte de lichamen van meer dan 2.000 personen. Het tweede massagraf bij al-Mahawil, in de kleigroeven achter een verlaten steenfabriek, borg de lijken van enkele honderden personen. Men neemt aan dat er een derde massagraf is op het terrein van de legerplaats al-Mahawil zelf. Nog ten minste één massagraf is gevonden in het dorp Imam Bakr even ten zuiden van al-Hillah; daar bevinden zich nog eens veertig lichamen uit dezelfde periode. Er moeten nog veel meer massagraven zijn, want ambtenaren in al-Hillah schatten het totale aantal in 1991 verdwenen personen alleen al in hun stad op 10 à 14.000.

De Amerikaanse coalitie in Irak was op de hoogte van het bestaan van al deze massagraven. Haar militaire vliegtuigen patrouilleerden immers boven Irak tijdens de moordpartijen. Maar ze heeft tot nu toe weinig gedaan om de verarmde Irakezen te helpen bij het moeizame opgraven van de massa's lichamen. Het vuile werk werd aan de Irakezen overgelaten, die de graven bij al-Mahawil met een dragline moesten uitgraven.

Toen ik hoorde van de ontdekking van het massagraf van al-Mahawil, haastte ik mij de volgende ochtend met mijn team ernaartoe. Bij Human Rights Watch was het mijn taak in heel Irak massagraven te lokaliseren en te proberen internationale forensische hulp te organiseren. Tijdens mijn verblijf van tweeëneenhalve maand ontdekten we meer dan twee dozijn grote begraafplaatsen. We kenden de exacte plaats van al-Mahawil niet, maar de stank leidde ons al van kilometers afstand naar het graf.

Wat zich voor onze ogen aftekende was een en al chaos en verwarring. Dagenlang, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, sneed de dragline door de aarde, waarbij dikwijls in één haal tientallen lijken aan het licht kwamen. Zodra de graafmachine zijn schep optilde, stortten vertwijfelde verwanten zich in het vrijgekomen gat en begonnen de blootgelegde botten uit te graven. Her en der liepen mensen met stukken van skeletten in hun handen. Overal lagen lijken opgestapeld, en we moesten uitkijken dat we er niet op gingen staan. Zo nu en dan steeg uit de menigte een doordringende kreet op, wanneer het lichaam van een familielid was geïdentificeerd. Door de overweldigende stank kromp je maag helemaal ineen.

Zonder enige professionele training en bijna zonder hulpmiddelen deden de Iraakse autoriteiten en vrijwilligers van een plaatselijke islamitische liefdadigheidsorganisatie hun uiterste best om te helpen bij de opgraving van de duizenden lijken.

Familieleden van de vermisten doorzochten de plastic zakken met overblijfselen die verspreid lagen over het hele terrein, in een wanhopige poging de verminkte, in staat van ontbinding verkerende lichamen te identificeren.

Abu Gazwan, een gemeenteambtenaar, hield een logboek bij van de geïdentificeerde doden. Voor hem stond altijd een lange rij familieleden, die hun vermisten in zijn boek wilden opzoeken. Een paar keer per dag klom Abu Gazwan op het dak van zijn Landrover met een megafoon, om de namen van de geïdentificeerde doden voor te lezen. Zodra een lijk was geïdentificeerd, kon de familie het bij Gazwan claimen, die opschreef dat het lijk was 'opgeleverd'. Vervolgens reed de familie naar Najaf, de heilige stad van de shi'ieten, voor een gepaste begrafenis in de uitgestrekte dodensteden die de stad omringen.

Toen de eerste journalisten verschenen, besloten de Amerikaanse strijdkrachten de gravers een tent en wat water te geven, verder stonden zij er alleen maar bij te kijken. Toen ik een commandant van de Amerikaanse mariniers naar zijn orders vroeg, zei hij dat hij plaatsen waar misdrijven tegen Amerikaanse militairen of andere buitenlandse troepen waren gepleegd 'veilig moest stellen' en dat hij moest 'helpen' wanneer de graven de overblijfselen van Irakezen bevatten. Toen ik hem vroeg wat hij verstond onder 'helpen', zei hij trots dat zijn soldaten die dag koel drinkwater naar de plek hadden gebracht.

Het tragische is dat de haast waarmee men de graven blootlegt en de vermisten probeert te vinden, onbedoeld de kans om de lichamen te identificeren sterk verkleint. De lichamen die door de bulldozers uit de graven worden gesleurd, raken hopeloos door elkaar. Wij zagen vele stapels overblijfselen met meer dan één schedel en met dubbele exemplaren botten. Ik zag hoe een man resten meenam waarvan hij bezwoer dat ze van zijn broer waren, omdat hij bij het lijk een pakje met zijn lievelingssigaretten had gevonden. In een wanhopige poging een identiteitsbewijs te lezen, veegde een man hem juist weg, waardoor hij het lijk tot anonimiteit veroordeelde. Veel van de lichamen die bij al-Mahawil werden gevonden, hadden nog persoonsbewijzen, waardoor het mogelijk was meer dan duizend slachtoffers te identificeren.

Het treurigste schouwspel bij de massagraven is te zien nadat de media weer vertrokken zijn:

de reusachtige stapel ongeïdentificeerde skeletten die nooit met hun zoekende familieleden zullen kunnen worden herenigd. Met een klein beetje forensische assistentie, zoals de internationale gemeenschap die in Kosovo wel heeft geboden, hadden heel veel meer lichamen kunnen worden geïdentificeerd.

Omdat er bij de graven geen forensische deskundigen beschikbaar zijn, is essentieel bewijsmateriaal voor de toekomstige berechting van de verantwoordelijke verloren gegaan. Vele lichamen die werden aangetroffen hadden nog een blinddoek om de schedel, en de handen op de rug gebonden. Als een schreeuw om gerechtigheid kwamen ze uit de grond tevoorschijn.

In al-Mahawil ontmoette ik Balkis Hassun, die al een hele dag bezig was zakken met rottende menselijke overblijfselen te doorzoeken. Zij zocht haar 14-jarige zoon Ali, die op een dag in maart 1991 was verdwenen toen hij voor haar water was gaan halen uit de rivier. 's Ochtends was ze hier aangekomen met goede hoop dat ze eindelijk te weten zou komen hoe het met hem was afgelopen, maar nu drong het tot haar door dat ze zijn lichaam waarschijnlijk nooit zou vinden. Toen ik wegging, zat ze zachtjes te huilen.

Er is amper een Irakees te vinden die de afgelopen twintig jaar niet persoonlijk is getroffen door de orgieën van arrestaties, folteringen en moorden waaraan de overheid zich te buiten ging. De schaal van de persoonlijke tragedies is nauwelijks te bevatten. Masud Barzani, het hoofd van de Koerdische Democratische Partij, heeft in 1983 op één dag 8.000 mannen van zijn Barzani-clan verloren; zij zijn allemaal gearresteerd en er is nooit meer iets van hen vernomen.

Human Rights Watch schat dat de afgelopen decennia in Irak ten minste 300.000 mensen zijn 'verdwenen'. De meesten zullen worden gevonden in de massagraven. Behalve de onafgebroken stroom politieke executies tijdens het bewind van de Ba'athpartij is bij nog zeker vier afzonderlijke gelegenheden op grote schaal gemoord. Begin jaren tachtig heeft de Iraakse regering de Iraakse Communistische Partij en de islamitische Dawaapartij weggevaagd, waarbij leiders en partijleden massaal werden gedood. In 1988 heeft de Iraakse regering onder leiding van Saddams neef Ali Hassan Al-Majid, ook bekend als 'Ali Chemicali', genocide gepleegd op de Koerden, waarbij naar schatting honderdduizend Koerden zijn gearresteerd en 'verdwenen'. In 1991 zijn tienduizenden geëxecuteerd, nadat de opstanden na de Golfoorlog waren mislukt. In 1999 volgde een kleinere opstand, nadat de Iraakse overheid een vooraanstaande shi'itische geestelijke had gedood. Toen zijn duizenden mensen geëxecuteerd.

Organisaties als het Comité voor de Bevrijding van Gevangenen in Bagdad nemen honderdduizenden bladzijden archiefstukken van de Iraakse veiligheidsdienst door. Met hulp van onze Iraakse collega's heeft Human Rights Watch al meer dan twintig grote massagraven gelokaliseerd, van de noordelijke steden Kirkuk en Mosul in het noorden tot aan Basra in het uiterste zuiden.

Irak was een land van bureaucratische massamoorden. De Iraakse overheid heeft haar moordcampagnes nauwgezet gedocumenteerd, en in bijna alle massagraven blijken de mensen op dezelfde wijze te zijn vermoord. Twintig jaar lang zijn telkens weer vastgebonden, geblinddoekte slachtoffers met bussen naar plaatsen vervoerd waar al sleuven waren gegraven, waarna zij werden geëxecuteerd en begraven. Bij alle discussies over massavernietigingswapens lijkt de wereld één onontkoombare conclusie te negeren: het grootste massavernietigingswapen in Irak was zijn eigen regime, en het voornaamste slachtoffer het Iraakse volk. M

Vertaling Jaap Engelsman

Geert van Kesteren is freelance fotograaf Peter Bouckaert werkt als Senior Emergencies Researcher voor Human Rights Watch, de grootste internationale mensenrechtenorganisatie. Hij heeft gewerkt in Kosovo, Afghanistan, Israël, Tsjetsjenië en Sierra Leone.