DAAR IS DE DOKTER

Ze zijn er nog wel, de ouderwetse dorpsdokters die met hun autootje langs de afgelegen boerderijen rijden.

Die de boerengemeenschap bijna ongemerkt in de gaten houden. Maar de van-negen-tot-vijf-arts doet ook op het platteland zijn intrede.

Op huisbezoek met dokter Baucke Jongebreur, die binnenkort met pensioen gaat.

Aan de Dorpsstraat is een baby geboren. Naast het huis staat een metershoge opblaas-ooievaar met C1000 op de borst. De moeder ligt uitgeput in een schemerige slaapkamer op bed. 'Viel het een beetje mee?', vraagt de huisarts. 'Het valt nooit mee', zegt ze met een blik van verstandhouding op de kraamhulp. Die haalt de baby tevoorschijn van onder de dekens. Het is een meisje, Robin. De huisarts voert de routinecontrole uit: hij luistert naar de ademhaling, kijkt met een lampje in oren en mond en gooit de baby een eindje omhoog. Intussen legt hij uit wat hij doet. De vrouw reageert nauwelijks. Het is haar vierde al.

Dertig jaar geleden begon huisarts Baucke Jongebreur in het Drentse dorp De Wijk een praktijk in de garage van zijn huis. Hij werd plattelandsarts uit overtuiging - zijn vader was het ook geweest, in Friesland. De veelzijdigheid van het huisartsenvak komt in een dorp het best tot zijn recht, vindt hij, al heeft het ook zijn schaduwzijden. 'Je weet van elk huis welke ellende er achter de deur zit. Daar moet je tegen kunnen. En als een bekende 's nachts voor flauwekul belt, moet je durven zeggen: joh, dat had niet gehoeven.' Een voordeel is bijvoorbeeld dat hij zijn eigen apotheek heeft, iets wat alleen voorkomt op het platteland. Niet zo lang geleden, vóór het 112-tijdperk, werd hij nog gebeld als er op straat een ongeluk gebeurde.

In de nadagen van zijn loopbaan huist de praktijk in het voormalige kruisgebouw van De Wijk en is uitgebreid met een collega-huisarts, twee verpleegkundigen en zes assistentes. Jongebreur is zestig jaar, een smalle man met een vriendelijk, wat zorgelijk gezicht. Naar voren staande boventanden geven hem iets jongensachtigs. De meeste van zijn 2.700 patiënten komen wel eens 's ochtends op het spreekuur, maar hij legt ook bijna dagelijks visites af. Dat hij daar nog tijd voor heeft, is een luxe die hij zelf heeft gekocht, toen hij tien jaar geleden een halve extra huisarts in dienst nam. Dat kon hij betalen, zegt hij, uit de opbrengst van zijn apotheek.

Boerenlong

Toen hij begon kwam de boerenlong nog voor, en de melkersziekte. Nu bijna niet meer. Van een boerendorp veranderde De Wijk in een forensenplaats, met veel bewoners die werken in Groningen, Meppel, Zwolle. Maar het plaatsje maakt een vitale indruk, met een supermarkt, twee kappers, twee banken, een postagentschap, een grote modezaak en veel doorgaand verkeer. Het verenigingsleven bloeit, van bridge tot harmonie, van korfbal tot toneel. Buiten het dorp staan nog steeds de grote hoeven, al worden ze vaak niet meer door boeren bewoond. In een statige havezathe woont nog wel baron De Vos van Steenwijk, en in een tolhuisje op haar landgoed 'de oude freule Roëll'. Ook groeit daar de holwortel, een stinzenplantje dat maar op enkele plaatsen in Nederland voorkomt en in het voorjaar paars en wit bloeit, vertelt de dokter achter het stuur.

De echte oude boertjes zijn verdwenen. Van wie hij boerenkool mee kreeg, en jaarlijks een haasje of konijn. Die hem sinaasappeltjes toestopten als hij er zelf slecht uitzag. Alleen hun nakomelingen zijn er nog.

Hoeve De Haalweide blijft eerst stil als de dokter aanbelt. Voor het raam blaft een herder. Maar na enige tijd verschuift boven een gordijntje. Koop Schiphorst Haalweide stommelt naar beneden, brengt eerst de hond naar de deel en trekt dan zijn pullover over zijn buik. Even later zit hij wijdbeens in spijkerbroek op een rechte stoel in de voorkamer en aan niets is te merken dat hij net nog sliep. Rex heeft de deur opengekregen en springt rond de salontafel. Het interieur is een eerbetoon aan de jaren zeventig: een schemerlampje met oranje bloemen, een bakstenen muur en in de achterkamer een hip behang in bruine tinten. Maar er staat ook een draadloze telefoon, en een breedbeeld-tv.

'Wanneer is je vader ook weer overleden', vraagt Jongebreur. 'Vijf november zesentachetig', zegt Koop. Hij heeft zijn demente vader jarenlang zelf verzorgd, tot het echt niet meer ging. 'Iemand naar het verpleeghuis brengen is moeilijker dan iemand naar het kerkhof brengen', zegt hij. De vrijgezelle Koop is nu 65 en boert niet meer, hij heeft alleen nog twee koeien en een paard. Trots laat hij zien dat hij als kleurrijke 'Wijker' al een paar keer de krant heeft gehaald. Met foto staat hij in Nieuwsbulletin de Stapel, het blaadje van de buurtgemeenschap - een groep bij elkaar gelegen boerderijen. De buurtgemeenschap bestaat nog, maar is minder hecht dan vroeger. 'Het gaat nou zo hard', zegt Koop. 'Ze zeggen: Heb je kennisgemaakt met de nieuwe buren. Ik zeg: ik loop niet zo hard meer - eer dat ik ze ken, zijn ze weer weg.' Hij kijkt naar buiten waar de auto staat. 'Is die van u? Heb jij zo'n hoogzitter? Ik zag hem en ik dacht eerst dat het Ton Smit was. Er zijn er een stuk of vijf die zo'n hoogzitter hebben. Ik niet. Daar ben ik nog te jong voor.' Hij lacht hard.

Piet, Griet en Jans

In het begin was de doktersauto een Deux Chevaux, nu is het een vierdeurs Renault Scenic. De dokterstas ligt op de achterbank. De namen en adressen staan op printjes die Jongebreur opbergt onder een klep bij de versnellingspook. Hij rijdt over een mooie, slingerende weg door de weilanden, passeert een dierenpension, hotel De Stapel en de ene na de andere monumentale boerderij. 'Dit is ook verbouwd, daar woont ook geen boer meer. Hier woonde vroeger de smid, nu woont er een beeldhouwster.' Ongemerkt hebben we De Stapel verlaten. 'Dit gebiedje noemen ze de Bloemberg.' Hij slaat een smalle klinkerweg in en draait een erf op: het erf van Pater. De dokter belt niet aan - hij loopt gewoon naar binnen door de deur van de deel.

De deel, ingericht als woonkamer, is verlaten. In het aangrenzende keukentje zitten Piet Pater, blozend met een geruite pet op, en zijn zus Griet, in jasschort. Ze wonen hier al meer dan veertig jaar. Eerst met hun ouders, toen de vijf kinderen, nu zijn er nog drie. Broer Jans is even het land op met de hond. 'Wij kunnen het goed overleggen met elkaar', zegt Piet. 'Niks geen gedoe.'

's Zomers hebben ze weidvee. Dan verhuren ze het land. Ze verbouwen zelf hun groenten. 'En we maken het in', zegt Piet. 'Dat is Griet ze werk.' Griet begint de handelingen die nodig zijn voor het zetten van koffie. Water in de kan. Koffie in de filter. Mokken op tafel. Dat is ook haar werk. 'Ze ken het geweldig', zegt Piet. Intussen haalt hij de halvamel van de deel. 'Zie je dat, ik weet precies wat ik moet doen.'

'Gebruik je dat ene tabletje nog', vraagt Jongebreur aan Griet.

Ze scharrelt in een keukenkastje en haalt er een drukstrip uit, die ze de dokter laat zien. 'Deze tabletten neem ik in. Alle dagen een.'

Jans komt ook binnen en het gezelschap wacht rond de tafel op de koffie. De ruimte is klein, bijna de kajuit van een boot. De Paters zijn zwijgzaam maar antwoorden welwillend op de vragen van de dokter. Die brengt na de medische controle het gesprek op de toestand van de boerenstand.

Jans: 'Het is jammer dat het zo loopt voor de boer. Ze scheiden ermee uit.'

Piet: 'Elke dag vier, dokter.' Dat heeft hij op de radio gehoord.

Of ze nog veel contacten hebben in de buurt, vraagt Jongebreur.

'Dat is een stuk veranderd', zegt Jans. Eén keer per jaar komen ze nog bij elkaar, een soort nieuwjaarsbijeenkomst. Maar 'het is meer als de helft westerlingen', zegt Piet. 'We hebben drie oude boeren, die zitten dan bij elkaar. Die kunnen erover praten.'

Vredige blik

Met bevende hand schenkt Griet de koffie in, zonder morsen. Geen Parkinson, gewoon ouderdom - 76 is ze. Ze kijkt in de verte, een vredige blik. Plukt aan de rand van haar jasschort. Jongebreur denkt dat ze hoogstens drie keer per jaar van de boerderij af komt. Zonder haar broers zou ze niet kunnen, geestelijk te zwak om op eigen benen te staan.

Jans heeft het meest van de wereld gezien. Hij heeft bij het waterschap gewerkt, terwijl Piet boerde, en ook wel groepsreizen naar Spanje en Italië gemaakt. 'Maar dan kwam hij terug uit Italië en dan was hij doodziek', lacht Piet spottend. 'Doodziek was hij.' Hij zwijgt even. 'Wij gingen wel naar de markten. Dat vond ik veel mooier.'

Griet: 'Concours hippiques.'

Piet : 'Straks heb je weer die hengstenkeuring in Zwolle.'

Jongebreur: 'Die markten sterven ook een beetje uit, hè.'

Piet: ''t Is niks meer, dokter.'

Jans: 'Ze breken alles af.'

Jongebreur: 'Die gemoedelijkheid...'

Jans: '...is er niet meer bij.'

Jongebreur noemt een boer die naar Canada is gegaan. Ze knikken.

Jans: 'Het gaat allemaal die kant op. Canada, Denemarken, Frankrijk. En hier willen ze bossen planten, hè. Je snapt het niet. Die goeie grond.'

Piet: 'In Groningen doen ze dat ook. 't Is zunde.'

Jans: 'Het is mooi om te zien. Maar het levert niets op.'

Piet: 'We zitten nou met die ammoniakwet. Dat stukje bos hierachter, daar moet je 250 meter uit de buurt blieven met mesten. 't Is apart, hoor.'

Boerentamtam

Na dertig jaar kent Jongebreur de dorpsgeschiedenis van a tot z, al is hij van Friese afkomst en groeide hij grotendeels op in Den Haag. Moeiteloos praat hij mee met de oude boeren en de oud-boeren, die vaak even beleefd aftasten hoever zijn kennis teruggaat. 'Heb jij Wind nog meegemaakt?' 'Ja, die heb ik nog dood van het land gehaald.' De kleine gemeenschap maakt zijn werk gemakkelijker. Je verliest mensen niet zo snel uit het oog. 'Automatisch registreer je: daar woont die, daar woont die, hé, verrek, die zou naar de specalist en daar heb ik nog geen brief van gezien.' Ook 'op de tamtam' hoort Jongebreur soms dingen die hij in zijn achterhoofd houdt, om er op het spreekuur misschien eens naar te vragen. Een heel enkele keer gaat hij ongevraagd langs. Dat zijn bemoeienis niet welkom was, zegt hij nooit te hebben meegemaakt. 'Ik tast dat wel af. Na twee keer rouwbezoek vraag ik van goh, heb je het nog nodig, vind je het plezierig.'

De tijden veranderen, daar legt hij zich bij neer. 'Dat met de pet in de hand staan van dokter weet alles, dat is natuurlijk bijna weg.' Gelukkig maar. Maar toch, al die jonge huisartsen die het liefst in loondienst willen werken, in kantooruren, hij vraagt zich af of dat het huisartsenvak niet een beetje aantast. Want de essentie, voor hem, is de continuïteit, de band met de patiënten. Dus geef je soms je privé-nummer aan ongeneeslijk zieken. En je gaat nog eens langs, nog eens kijken, nog eens praten.

De weduwe Rooze is een week geleden 's nachts uit bed gerold. Ze kwam niet meer overeind, haar linkerarm was kapot. Gelukkig was het dekbed mee gevallen, zodat ze het niet koud had. En gelukkig zag een buurman die de volgende ochtend langs de boerderij reed dat de gordijnen om half tien nog dicht waren. Hij waarschuwde haar schoondochter. Jongebreur bezoekt haar in het ziekenhuis van Meppel, waar een plaat in de arm is gezet. Ze zwaait er enthousiast mee, het gaat al veel beter. Ze zit in een stoel bij het raam. Op tafel ligt een servetje met appelschillen, een aardappelschilmesje ernaast.

Aan de overkant ligt toevallig ook de moeder van de schoondochter van mevrouw Rooze. Mevrouw Ten Wolde woont bij haar dochter op de boerderij, kookt nog haar eigen potje, maar heeft nu problemen met de doorbloeding van haar linkervoet. Er zijn drie tenen afgezet en ze zou eigenlijk gisteren naar huis gaan. Maar nu wordt ook de vierde teen blauw. Ze wil zich er niet naar van voelen, zegt ze, maar ze is zwaar teleurgesteld. Ze probeert de moed erin te houden. 'Ik heb veel geleerd van mijn man. Ik weet nog dat ik hem moest zeggen dat de boerderij weg moest. Dat vergeet je nooit. Ik zeg: je kan niet meer hooien, niet meer melken, hoe moet dat nou. Hij prakkizeerde even en hij zegt: 'Zorg dan dat de koeien weg zijn als ik thuis kom.' Jongebreur pakt haar even bemoedigend bij de arm. Zelf wil hij stoppen over een jaar of drie. Door het grote tekort aan huisartsen is onzeker of hij iemand vindt die de praktijk wil overnemen.

Gepensioneerde slager

Terug in De Wijk, het wordt al donker, parkeert hij zijn auto als laatste voor het rijtjeshuis van meneer Spijkerman, een gepensioneerde slager die die ochtend uit het ziekenhuis is ontslagen. De man zit mager op de caramelkleurige bank, naast zijn shag. Hij zegt niet veel en zijn vrouw ook niet, de dokter voert het woord. Hij legt uit dat er een pneumokok op de long zat, dat meneer een duidelijk bacteriële longontsteking had, het kan ook viraal zijn, maar dit was bacterieel, begint vaak met een griepachtig beeld, als dat niet overgaat moet je aan de bel trekken, dat had meneer ook gedaan, heel goed. Mevrouw Spijkerman is blij dat haar man er weer is. Voordat hij werd opgenomen, had ze nog nooit alleen geslapen. 'We zijn meer dan veertig jaar getrouwd. Dat is wel wennen.'

Jongebreur knipt zijn tas open en haalt de stethoscoop eruit. Even luisteren of alles weer goed is. 'Dit geneest volledig, hoor', zegt hij geruststellend tegen mevrouw, terwijl hij de trui van haar man opstroopt. 'Zucht maar.' Stilte. Een klok tikt. 'Hoest nog eens even een paar keer.' Hij legt zijn linkerhand plat op de rug, klopt op de middelvinger en luistert naar de toon. M

Joke Mat is redacteur van NRC Handelsblad

Maaike Koning is freelance fotograaf

[streamers]

Dertig jaar geleden kwam de boerenlong nog voor, en de melkersziekte.

De oude boertjes zijn verdwenen. Van wie hij boerenkool meekreeg, en jaarlijks een haasje of konijn.

'We hebben drie oude boeren, die zitten dan bij elkaar. Die kunnen erover praten.

'Heb jij Wind nog meegemaakt?' 'Ja, die heb ik nog dood van het land gehaald.'