Alles om de goddelijke vonk

Gnostici zijn vaak gelukkige mensen, zegt Gilles Quispel. Omdat zij afgaan op hun innerlijke ervaring. Hij schreef een boek over Valentinus, `de grootste gnosticus aller tijden'.

Zeventachtig jaar oud is Gilles Quispel, de emeritus hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Op een logeerbed in zijn werkkamer in zijn Bilthovense huis ligt zijn doodskleed reeds klaar. Memento mori. Maar ondertussen werkt hij gewoon verder aan zijn levenswerk: de geschiedschrijving van de gnosis, een invloedrijke stroming in het vroege christendom. Eind mei verscheen Quispels nieuwste boek Valentinus de gnosticus en zijn Evangelie der Waarheid. Quispel schreef het in nog geen jaar tijd, op verzoek van Joost Ritman, stichter van de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam. Met Valentinus keerde Quispel terug naar zijn eerste gnostische studieobject, waarover hij kort na de oorlog publiceerde.

De Egyptenaar Valentinus leefde ca 100 tot 160 na Chr. en was de belangrijkste voorman van de gnostische beweging. Hij zou in Rome zelfs bijna tot paus zijn gekozen. Valentinus bezat een grote dichterlijke geest, betoogt Quispel op zijn werkkamer. ``Volgens hem is de wereld ontstaan uit een lach en een traan van de Wijsheid.' Veel van de Valentinianen spraken Latijn, en ironisch genoeg zijn het deze `ketters' geweest die veel van de latere Roomse theologische termen hebben gemunt: consubstantialis, infinitus, trinitas, persona.

De gnostici hadden andere opvattingen over wereld en christelijk geloof dan de orthodoxe christenen. In de tweede eeuw was het christendom nog lang niet uitgekristalliseerd en er bestond nog veel variatie in opvattingen. De latere orthodoxie betoogde bijvoorbeeld dat Christus zoon van de God uit het Oude Testament was en aan het kruis gestorven als een soort offer voor de menselijke zonden. Maar de gnostici zagen Christus veel meer als een engelachtige boodschapper uit de hogere werelden, waarbij de kruisdood amper een rol speelde. Ook was volgens veel gnostici de God van het Oude Testament slechts een `demiurg' (Grieks voor `schepper', een soort gevallen engel die de wereld geschapen had). De ware god was een heel andere entiteit. Priesters en kerkorganisatie, zo belangrijk bij de orthodoxie, speelden bij hen nauwelijks een rol. Het doel van het leven volgens Valentinus is de vereniging van het Ik met het hogere Zelf, de Hemelse Mens. Volgens de gnostiek wordt een mens na zijn dood niet geconfronteerd met een goddelijke rechter maar met zichzelf.

Na de bloeitijd in de tweede eeuw werden de gnostici als ketters veroordeeld en goeddeels vergeten. Eeuwenlang waren ze vrijwel uitsluitend bekend uit de geschriften van hun katholieke vijanden, maar in 1945 werden in Egypte de Nag Hammadi-manuscripten gevonden: een uitgebreide verzameling gnostische geschriften. Quispel speelde een belangrijke rol bij de uitgave en de bestudering van die werken. Een van de codexen, met onder meer Valentinus' Evangelie der Waarheid en het beroemde Evangelie van Thomas heeft zelfs jarenlang achter het bed op zijn werkkamer gestaan. Een geheel nieuwe wereld ging open voor wetenschappers. Maar ook veel gelovigen en ongelovigen laten zich inspireren door de oude teksten die een soort alternatief christendom schetsen – zie de populariteit van het boekje Schatgraven in Nag Hammadi door de rationalistische filosoof Bram Moerland en de vele boeken van de gnostische historicus Jacob Slavenburg.

Zelf beschouwt Quispel zich als orthodox christen. ``In de religie ben ik orthodox, in de politiek ben ik christelijk-historisch en in de ethiek ben ik zestig jaar gehuwd en niet gescheiden, en verder: God zegen u.'

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk: wat zou er gebeurd zijn als Valentinus wel tot paus zou zijn gekozen? Quispel: ``Dan zou de christelijke kerk nooit autoritair geworden zijn. Want de gnosis is niet autoritair, die gaat van de eigen ervaring uit. Dat zie je direct bij de valentiniaanse gnosis, die mensen hebben allemaal hun eigen systeempje. Als Valentinus paus was geworden, dan was die kerk dus helemaal niet katholiek geworden. Hij was gewoon voorzitter van de kerkenraad geworden.'

Uniek aan Valentinus is dat hij seksualiteit niet als iets negatief zag, zoals vrijwel alle andere christenen, inclusief de gnostici. Quispel: ``Valentinus is absoluut niet ascetisch. Hij is zelfs de enige christen die ooit gezegd heeft dat seksuele ervaring goed is voor je geestelijke ontwikkeling: `Wij scheppen genoegen in het huwelijk'. Je mocht ervan genieten!'

De gnostiek vindt zijn oorsprong in het Egyptische Alexandrië aan het begin van de jaartelling, onder duidelijk joodse invloed. Daaruit kwamen voort de christelijke gnostiek, de heidense en ook de joodse die is blijven voortleven in de joodse kaballa. De heidense gnostiek vond zijn neerslag in het Corpus Hermeticum, een verzameling mystieke teksten die grote invloed had in de Italiaanse Renaissance.

Aan de wortel van de gnostiek ligt een tekst uit het bijbelboek Ezechiël, waarin God als mens verschijnt: `Op de troon zat een gedaante met het uiterlijk van een mens (...) Zo verscheen de Heer in al zijn majesteit' (Ez.1:26-28). Het is de basis van de joodse merkaba-(`troon')- mystiek. Quispel: ``Valentinus heeft deze joodse gnostiek gekerstend. Hij identificeerde deze Mens, deze Anthropos, met de eeuwige Christus van het Johannes-evangelie. Ook nam hij uit deze ideeën de voorstelling over dat de schepper, de demiurg, niet dezelfde is als de Onbekende God van Diepte en Stilte.'

Valentinus maakte net als de andere gnostici een duidelijk onderscheid tussen mensen met inzicht (gnosis) en de gewone gelovigen: tussen pneumatici (geestelijk levenden) en psychici (verstandelijk levenden). Een nogal elitaire opvatting, zo vindt Quispel ``Als buitenstaander moet ik eerlijk zeggen dat de gnosis wordt bedreigd door spiritual pride. Dat zie je ook bij Valentinus die schrijft: `Gemeenschap met een vrouw is heel goed voor een pneumaticus, maar zo'n psychicus – zo'n katholiek dus – die lijdt natuurlijk alleen maar aan ongeordende begeerte, dus dan is het niet goed.' Dat vind ik geestelijke hoogmoed.'

Volgens de Amerikaanse onderzoekster Elaine Pagels (auteur van het invloedrijke boek The Gnostic Gospels uit 1979) werden de tegenstellingen tussen orthodoxen en de gnostici nog versterkt doordat de organisatie van deze verschillende facties sterk verschilde. Structuur en geloof weerspiegelden elkaar. Wie geloofde in de éne god en de genade van boven, streefde naar een sterk gecentraliseerde en autoritaire kerk: de katholieke. En de meer anarchistisch angehauchte gnostici, met hun nadruk op eigen ervaring, keerden zich juist tegen die drang van bovenaf.

Hoe samenhangend was de gnostiek dan eigenlijk? Valentinus is de grootste gnosticus, maar hij heeft géén dualisme, wèl seksualiteit en zelfs een ongewone rol voor het kruis van Christus.

Quispel: ``Het wezenskenmerk van de gnosis is dat de nadruk valt op de goddelijke vonk die onbewust in de mensen zit. En het tweede is dat gnostici gnosis – dat is dus intuïtieve kennis – stellen boven analytische kennis.'

Wat betekent dat in de praktijk, dat intuïtieve inzicht?

Quispel gniffelt een beetje. ``Hahaha. Dat betekent voor veel mensen natuurlijk dat ze er dolgelukkig mee zijn. Omdat zij met hun inzicht, of hun vermeende inzicht, menen een zin te vinden in het leven, een betekenis. Zij nemen in zichzelf de ontwikkeling van de geest waar, van dat Zelf, dat innerlijk – dat dus tegenover het brein staat. En daar voelen zij zich gelukkig in. Zoals Carl Gustav Jung, die ik goed gekend heb, zegt: `de mens kan zonder zin niet leven'. En de zin die vinden zij dus in bevinding: in geestelijke ervaringen die zij voor waar houden, in hun Kennisse des Harten. Die gnosis heeft altijd bestaan. Ook bij theosofen en antroposofen, dat zijn dikwijls gelukkige mensen door dat inzicht.'

Dat geluksgevoel ontstaat dus omdat ze door die goddelijke vonk een soort sokkel hebben om hun innerlijk leven op te zetten?

``Jazeker. Het gaat om inzicht. Rudolf Steiner zegt het ook: je moet niet geloven, het gaat om inzicht.'

Waarin verschilt dat inzicht dan van het inzicht van gewone `gelovige' gelovigen? Die hebben toch ook een innerlijk leven?

``Een gelovige neemt waar wat er in de bijbel staat. En een gnosticus zal zoiets nooit zomaar geloven. Die zal het antwoord op zijn vragen nooit buiten zichzelf zoeken, nooit in die tweeduizend jaar dat het bestaat.

``En zo komen die gnostici dus wel eens tot heel verrassende inzichten. Bijvoorbeeld dat de wereld niet geschapen is, creatio ex nihilo, maar dat het een uitvloeisel is van de godheid, een emanatie. De gnosticus Basilides, die leefde in Alexandrië ca 120 na. Chr, zei het zo: `in den beginne was niets. En zeg nou niet dat er toch niet iets was. Het was eenvoudig niets. En dat niets bracht uit zichzelf een niets voort. Met andere woorden: een niet-zijnde god bracht een niet-zijnde kosmos voort uit het niets.' Dat vertelde ik eens aan mijn Utrechtse collega De Jager, de astronoom. En die zei: dat is precies wat wij doen! Met de Big Bang. Dat wil dus zeggen dat dat beeldende denken van die gnostici helemaal niet altijd zo dom is.'

Als het gaat om die vonk, dat is de gnostiek dus eigenlijk meer methode dan inhoud?

``Inderdaad. Vóór alles is het innerlijke ervaring.'

Maar in de praktijk waren de gnostici wel vaak dualistisch en ascetisch?``Het komt voor, ja. Maar bijvoorbeeld de hermetische gnosis is ook monistisch, net als Valentinus. En dat ascetisme gaat ook niet altijd op. Neem Goethe! Die was ook een gnosticus. Maar je kunt Goethe toch onmogelijk asceet noemen.'

Als je een beetje in je innerlijke wereld rondwandelt, ben je dus al snel een gnosticus?

``Nu ja, in het piëtisme [een protestantse opwekkingsbeweging uit de 17e en 18e eeuw, red.] was het innerlijk leven natuurlijk ook belangrijk. En in de christelijke mystiek. Er is veel verwarring over de term gnostiek, of gnosis zoals ik het liever noem.

``Mijn definitie van gnosis heeft daarom óók een historische dimensie. Ik zeg: gnostici waren mensen als Valentinus en ook Marcion, Basilides, uit de eerste eeuwen na Christus. Maar ook hoort erbij de joodse gnosis van het Apocryphon van Johannes, dat in Alexandrië heel invloedrijk was, met zijn strijd tussen de vijandige Jehova en Sofia.

``En wat daarop gebouwd is, is dus ook nog gnosis. Ook Mani (216-276), de stichter van het manicheïsme, was een gnosticus. Want hij kende wel degelijk óók het Apocryphon van Johannes. Mani's ideeën berustten daar totaal op: ik heb een lichtvonkje in me en dat is verwant aan het hogere. Ook is van de katharen [een sterke ketterbeweging in de 12e en 13e eeuw, red.] bewezen dat ze het Apocryphon van Johannes kenden.'

En de middeleeuwse mystici, zoals Meister Eckhard?

``Nu ja, met zijn ideeën over het Funkelein komt Eckhard er toch best dichtbij, vind je niet? [dankzij het goddelijke zielevonkje, Funkelein, kon de mens de Absoluutheid bereiken, red.]. Daar wordt het moeilijk om te onderscheiden, dat is een rafelrand van de gnostiek.'

Maar als u kon bewijzen dat Eckhard een tractaat van Basilides op zijn tafel had liggen, dan was hij zeker gnosticus?

``Ja, als historicus ga ik niet verder. ik geniet natuurlijk als ik nieuwe gnostici ontdek, dat is mijn vak, maar ik moet kunnen bewijzen dat het met die antieke gnosis samenhangt. Je ziet er wel veel elementen van. Neem dat ritueel bij de vrijmetselaars, waarbij je met een blinddoek om voor een spiegel staat. Dat is precies wat Valentinus zegt: aan de ingang van de geesteswereld word je geconfronteerd met je hogere zelf, je Engel. En dat is bij Mani precies zo: `Ik zag hem, dat hij mij zelf was, van wie ik eens gescheiden was, een spiegelbeeld.' Dus niet alleen een daimon, maar ook nog een spiegel. Zelfs bij Adriaan Roland Holst, in zijn verhaal De Afspraak, zie je precies hetzelfde! In Handelingen (Hd 12:13-16) zie je het ook. Daar zegt een meisje dat de apostel Petrus voor de deur staat, maar dan zeggen ze: `dat is Petrus niet, je vergist je, dat is alleen maar je beschermengel'. Alleen maar! In de gnostiek is die dubbelganger juist je hogere zelf. Maar daar hielden die christenen dus niet van.'

Bij de meeste christelijke gnostici speelt de kruisdood van Christus geen rol. Bij Valentinus wel, maar wat hij erover zegt vind ik onbegrijpelijk.

``Ja, dat begrijp ik ook niet. Die emotionele verbondenheid van Valentinus met het kruis is volkomen een uitzondering. Dat kun je alleen maar verklaren door de kracht van de gestalte van de historische Christus. Het Johannes-evangelie heeft zo'n indruk op Valentinus gemaakt! Valentinus moet gedacht hebben: `ja, hij heeft zich verlaagd tot het laagste, terwijl hij met de eeuwigheid werd bekleed.' Maar daarom is Valentinus ook een christen.

``Bij Paulus zie je trouwens ook gnostische ideeën. Hij noemt Jezus ergens de Anthropos, de Mens [Ef.5:28-32]. De achtergrond daarvan is de joodse gnosis, de merkaba-mystiek dat God ons als mens is geopenbaard. Dat is ook de betekenis van de term `zoon des mensen'.'

U zegt eigenlijk: het hele christendom is voortgekomen uit die joodse gnosis?

``Ja zeker, de voorchristelijke joodse gnosis, en die heeft weer hellenistische wortels. Neem dat opklimmen naar de derde hemel, wat je ook bij Paulus vindt (2Cor 12:2-4). Dat is merkaba-mystiek.

``De historische Jezus was geen eschatologische dwaas, maar een leraar van wijsheid. Dat blijkt uit het Thomas-evangelie. maar ook uit de evangeliën: `Komt tot mij allen die vermoeid en belast zijn', `Jeruzalem, ik zou u willen beschermen als een kieken haar jongskens'. Dat is Jezus Sophia! Zo spreekt de Wijsheid. En dat is volstrekt niet in strijd met de orthodoxe leer. De orthodoxen hebben altijd gezegd dat Jezus de belichaming was van de goddelijke wijsheid. Ik kan mij met een gerust hart orthodox christen noemen. Het is alleen de fixatie van de gereformeerden op het bijbeltje waarom ze zo met mij overhoop liggen. Echte calvinisten zijn bang dat de letter van de bijbel wordt aangetast.'

Gilles Quispel, Valentinus de gnosticus en zijn Evangelie der Waarheid. In de Pelikaan, Amsterdam 2003. ISBN 90 71608 13 1. €16