Vergeet dat `iets' maar

In tal van artikelen en lezingen heeft de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins zich de afgelopen jaren opgewonden over de prominente rol die religie speelt in onze samenleving. Waar hij zich in zijn eerdere boeken nog beperkte tot het bestrijden van de creationisten, die in al het leven op aarde de hand van een Schepper zien en niet willen accepteren dat biologische complexiteit kan ontstaan uit simpele bouwstenen, nu richt hij zijn pijlen op de (georganiseerde) godsdienst: `een kwaadaardige infectie van de menselijke geest'. `In een wereld zonder religie waren er geen kruistochten geweest, geen pogroms, was er geen Inquisitie en geen burgeroorlog in Noord-Ierland [...] Mensen de dood injagen vanwege hun politieke denkbeelden is al erg genoeg, maar dat te doen over waandenkbeelden van engelen en demonen is tragisch.'

Als overtuigd voorstander van de wetenschappelijke methode als enige manier om tot kennis en inzicht te komen verafschuwt Dawkins de onbewijsbare en dus `onwetenschappelijke' claims die onverbrekelijk deel uitmaken van elke religie. Bovendien stuit het hem tegen de borst dat vaak iemands geloof al op heel jonge leeftijd bepaald wordt door het milieu waarin hij of zij opgroeit. En oh ironie: als geen ander weet hij dat het gemak waarmee kinderen te indoctrineren zijn een product is van natuurlijke selectie: het vergemakkelijkt immers de integratie in een sociale groep en cultuur en heeft zo een belangrijke overlevingswaarde.

Temidden van 32 essays vinden we Dawkins' tirades tegen het geloof terug in zijn onlangs verschenen boek A Devil's Chaplain. Ook de pseudo-wetenschappen, de homeopathie, telepathie en andere new age verschijnselen krijgen een veeg uit de pan. Dawkins houdt niet op zich te verbazen over de goedgelovigheid van veel mensen die zich kritiekloos overgeven aan charlatans. En dat terwijl de wereld om ons heen zo'n intens diepe schoonheid vertegenwoordigt, dat het de moeite loont om die beter – op wetenschappelijke wijze – te doorgronden. Niets moet hij ook hebben van de quasi-religieuze ideeën van sommige natuurkundigen en kosmologen als Paul Davies, die het speuren naar de ultieme natuurwetten – dat wat we niet begrijpen – zien als een zoektocht naar de `geest van God'. Dawkins is vast overtuigd van de kracht van de wetenschap en beschouwt alle vragen en raadsels waar zij zich nu voor geplaatst weet als `dat wat we nog niet begrijpen'.

Voor hem bestaat er geen middenweg – wetenschap en religie zijn onverenigbaar – hij is pas tevreden als hij iets tot het uiterste heeft doorgedacht (zie ook zijn interpretatie van de evolutietheorie in termen van een strijd tussen genen). Geen wonder dat hij botste met de `andere' beroemde evolutiebioloog Stephen Jay Gould, aan wie een vijftal hoofdstukken is gewijd. Gould probeerde juist verschillende interpretaties van de evolutietheorie te verenigen, en zag wél een rol voor de godsdienst weggelegd als een waardevolle manier om tegen de wereld aan te kijken. Dat moet Dawkins een gruwel zijn geweest en de opvallend positief getoonzette essays die hij aan de vorig jaar overleden Gould wijdt komen dan ook weinig oprecht over, zeker als je ze vergelijkt met de stukken waarin hij vrienden herdenkt als de schrijver van The Hitchhiker's Guide to the Galaxy, Douglas Adams.

Toch blijft hij zelfs in dat soort gelegenheidstukken te veel de koele, rationele wetenschapper en laat hij maar heel zelden zijn masker vallen. Maar als dat gebeurt spat de passie van de bladzijde af, zoals in een stuk naar aanleiding van de aanslagen op elf september, opnieuw zo'n gebeurtenis waar religie een kwalijke rol speelde: `Het is tijd voor intellectuelen [...] om op te staan en uit te roepen dat het genoeg is. Laat ons eerbetoon aan de doden van elf september een nieuw elan zijn om mensen te respecteren om wat ze elk individueel denken, liever dan groepen te respecteren om hoe ze gezamenlijk zijn opgevoed te geloven.'

Richard Dawkins: A Devil's Chaplain. Weidenfeld & Nicholson, 264 blz. €30,50