Onwenselijke horigheid

Het gemak waarmee de Nederlandse regering gehoor geeft aan ongeveer elk verzoek van Amerika, en daarmee de totstandkoming van coherent Europees beleid doorkruist, begint steeds bedenkelijker vormen aan te nemen. Een halve eeuw bestond er geen scherpe tegenstelling tussen Brussel en Washington, en leek het Atlantische instinct van Den Haag vrij probleemloos met een pro-Europese gezindheid te rijmen. Nu dat niet langer meer gaat, wordt zichtbaar wat die Europese gezindheid als puntje bij paaltje komt, feitelijk inhoudt: niet meer dan wat lege woorden.

Dat Nederland toen de heling van de Europese deling van 1945 door de uitbreiding van de Europese Unie ter sprake kwam, door toedoen van Zalm alleen opviel door op kruideniersachtige wijze te zeuren over de centen, is daarbij nog niet het ergste; daarmee blameert het voornamelijk zichzelf. Ernstiger is dat door de horigheid die diverse Nederlandse ministers jegens Washington ten toon spreiden, het Bush en consorten gemakkelijk wordt gemaakt het enige machtsblok dat in potentie in staat zou zijn om voor de riskante Amerikaanse internationale koers een bedachtzaam tegenwicht te bieden, van binnenuit op te blazen. In Washington wordt dit streven met het onderscheid tussen een `oud' en een `nieuw' Europa van minister van Defensie Rumsfeld ook nauwelijks verhuld.

Een aantal recente beslissingen onderstreept Den Haags onderdanige houding. Een eigen Europese defensie? Nederlands bijdrage is nihil. Zonder serieus de mogelijkheid van een Europees alternatief te onderzoeken, werd de keus voor het JSF-gevechtsvliegtuig doorgedrukt, waarmee Nederland zich voor de toekomst opnieuw volledig van Amerikaanse goedgunstigheid afhankelijk heeft gemaakt. Toen Wouter Bos hieraan nog recent trachtte te morrelen, kwam ons dat op een schaamteloze interventie in de kabinetsformatie van de Amerikaanse ambassadeur Sobel te staan, als ware Nederland geen soeverein land, maar een Amerikaanse satrapie.

Zo gedraagt Nederland zich inderdaad. Amerikaanse undercover-agenten krijgen, commissie-Van Traa of niet, onder de oncontroleerbare vlag van `terrorismebestrijding' op Nederlandse bodem de vrije hand. Gaan zij over de schreef, dan worden zij wel door hun diplomatieke immuniteit van vervolging gevrijwaard, en overdracht van Amerikanen aan gerechtshoven op Nederlandse bodem al dan niet van internationale aard – is er uiteraard niet bij; om dat te voorkomen is er desnoods de Hague Invasion Act. De Verenigde Staten garanderen hier hun eigen burgers dat zij nooit zullen worden uitgeleverd, maar eisen het omgekeerde vanzelfsprekend wel van ons.

Wie mocht denken dat onze regering daarop ook voor háár burgers is opgekomen, heeft het mis. Zelfs als Nederlanders op Nederlandse bodem iets hebben gedaan dat volgens de Amerikaanse wetgeving strafbaar is en waar Amerikanen bij betrokken zijn, dan worden zij zonder mankeren op het vliegtuig gezet. Bewijsvoering is voor Donner niet nodig. Dat het Amerikaanse rechtssysteem, zeker sinds Ashcroft minister van Justitie is weinig waard is – zie Guantanomo Bay – en van willekeur aan elkaar hangt, is genoegzaam bekend, maar voor hem geen beletsel. Zo kan een Amerikaanse verdachte dankzij het stelsel van plea bargaining door snel schuld te bekennen en tegelijk een ander te beschuldigen, een forse strafvermindering krijgen, zodat er voor Nederlanders die zeker willen zijn dat zij niet pardoes overzee in een cel belanden, maar één optie overblijft: mijdt elk persoonlijk contact met een Amerikaan.

Intussen zijn ook de Rotterdamse haven en Schiphol voor Amerikaanse druk door de knieën, en hetzelfde geldt voor de KLM: ook de meest intieme persoonsgegevens worden op verzoek doorgespeeld, Europese privacywetgeving of niet. Den Haag is er al door Brussel voor op de vingers getikt, want het kwalijke is, dat op deze wijze ook andere Europese lucht- en zeehavens gedwongen worden voor de Amerikaanse druk te buigen. Er valt ongetwijfeld best wat aan de veiligheid te verbeteren, en daarvoor hoeft samenwerking met Amerika ook niet geschuwd te worden.

Maar Den Haag had zich eerst tot Brussel moeten wenden om in Europa op één lijn te komen, zodat in ruil voor die samenwerking enige hoogstnoodzakelijke tegeneisen hadden kunnen worden gesteld. Hier kan Balkenende zelfs een voorbeeld aan Blair nemen, die hoezeer ook Amerika's bondgenoot wel tegen Bush' dreigende juridische mishandeling van twee Britse onderdanen in Guantanomo Bay in het geweer durft te komen.

Sobel houdt de Nederlandse meegaandheid intussen ieder ander land als rolmodel voor ogen, en die lof zou iedere Nederlander die nog over een greintje eigenwaarde beschikt, in het licht van het voorgaande aan het denken moeten zetten. Zoals een reportage in Vrij Nederland van een paar weken geleden echter duidelijk maakte, laten onze politici zich moeiteloos door Sobels vleierij inpakken. Zodra hij zich meldt, zo beschreef lobbyist Rob Meines de gang van zaken, ,,laat iedereen alles uit zijn handen vallen'', als betrof het niet slechts een Amerikaanse ambassadeur, maar de Amerikaanse gouverneur.

Het kortzichtige Nederlandse veDunk, Thomas von derrraad aan Europa komt ten slotte ook tot uiting in de unilaterale leverantie van Nederlandse troepen voor Irak, die, als het aan De Hoop Scheffer had gelegen, al afgelopen herfst waren uitgevaren om bij de invasie een rol te spelen. Opnieuw toonde Den Haag zich hier te gretig en te vlug, en vroeg het er niets van belang voor terug. Inmiddels loopt de pacificering van Irak geenszins op rolletjes. Rumsfeld heeft Duitsland en Frankrijk, die hij een paar maanden terug nog streng had willen straffen, nu om militaire hulp gevraagd. Terecht stellen zij als voorwaarde: niet zonder een veel centralere rol voor de VN, wat eveneens met een klassieke Nederlandse doelstelling spoort.

Het bewijst opnieuw iets, wat we eigenlijk allang wisten: als het om Washington gaat beschikt BZ over geen enkele onderhandelingskunst. Natuurlijk is het ook in ons belang dat de Amerikanen niet in Irak mislukken; maar dat is nog véél meer in het belang van Bush, en in die wetenschap had Den Haag, door even te wachten en slechts gezamenlijk met de andere Europese partners op te treden, meer kunnen bereiken.

Zeker in het licht van de Amerikaanse desinformatie inzake massavernietigingswapens, die door onze onervaren premier voor zoete koek is geslikt, zal ook Balkenende zich de vraag moeten stellen die de Australische ex-premier Malcolm Fraser recent aan zijn opvolger stelde: wiens belangen hij eigenlijk behartigt, die van ons land of die van de Verenigde Staten.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.