Nooit aarden in hier en nu

,,Ik geloof in imaginaire families'', zei J.M.G. Le Clézio een paar jaar geleden in een interview met deze krant. Daarmee bedoelde hij dat iedereen voor zichzelf personen, objecten maar ook gebeurtenissen uit het verleden om zich heen verzamelt waarmee hij zich verwant voelt – meer en intenser dan wanneer er sprake is van een echte bloedverwantschap. Tot zijn eigen imaginaire familie rekende hij bijvoorbeeld een revolutionaire voorouder wiens boeken en brieven hij had gelezen, een horloge en een oude vulpen, maar ook de slag van Saint-Aubin-du-Cormier, waarbij Bretagne in 1488 haar onafhankelijkheid verloor.

In zijn nieuwe, vuistdikke roman Révolutions, die je gerust mag beschouwen als zijn magnum opus, verwerkt Le Clézio op een indrukwekkende manier vele imaginaire familieleden uit zijn literaire universum. Hij laat twee levensverhalen door elkaar lopen: aan de ene kant is er Jean Marro, een jongen die in de jaren vijftig in Nice woont, en aan de andere kant diens verre voorouder uit de achttiende eeuw – een ideale literaire vorm voor een auteur die graag door verschillende tijdperken en over verschillende continenten zwerft.

Le Clézio is een reiziger, een nomade op zoek naar samenhang tussen het intellect en het fysieke, naar een filosofisch evenwicht tussen natuur en cultuur; een onderzoekend schrijver ook wier zoektocht al langs vele oude mythen, vergeten sagen en vervlogen beschavingen leidde. Met zijn bijna veertig romans, essays en jeugdboeken is Le Clézio een moeilijk onder één noemer te vangen fenomeen: intercultureel, beschouwend, documentair, romantisch, kritisch en soms geëngageerd.

In Gens des nuages, een reisverslag van een tocht die hij samen met zijn vrouw Jemia in 1997 maakte door de woestijn van Zuid-Marokko, schreef Le Clézio: `Reizen en een nieuwe horizon verkennen is één ding. Je verleden ontmoeten, als een onbekend beeld van jezelf, is een ander'. Dat laatste is precies wat de schrijver doet in Révolutions. Beide hoofdpersonen, de twintigste-eeuwer en de achttiende-eeuwer, zijn alter ego's van Le Clézio, komen voort uit zijn `livre d'origines': ze maken deel uit van het verleden dat hij slechts uit verhalen en boeken kent en dus van zijn identiteit.

Mauritius

Net als hoofdpersoon Jean Marro groeide Le Clézio op in Nice in de jaren vijftig, net als hij heeft hij een verre voorouder die in de achttiende eeuw uit Frankrijk vertrok om zich te vestigen op het eiland Mauritius. In Le chercheur d'or (1985), Voyage à Rodrigues (1986) en La quarantaine (1995) schreef hij al over zijn grootvader, magistraat op Mauritius, die vrouw en kinderen verliet om op zoek te gaan naar een legendarische schat.

In Révolutions is het een vrouw die het eiland Mauritius in geuren en kleuren oproept: tante Catherine, Jean Marro's oudtante, een personage dat ik niet licht meer zal vergeten. Het is een oude blinde dame met een fenomenaal geheugen, die haar oude dag slijt in een troosteloze buitenwijk van Nice. Ze woont daar wel, maar in gedachten en in doen en laten heeft ze Rozilis, het woonhuis op het paradijselijke Mauritius, nooit verlaten.

Als jongen komt Jean zich iedere middag laven aan haar prachtige verhalen over de wouden die ze doorkruiste, de bronnen die ze ontdekte, de liefdes die ze vermoedde en de tegenslagen waarmee zijn koloniale voorouders werden geconfronteerd. Hij luistert naar haar met muzikaal Creools doorspekte verhalen: over schipbreuk, over gedroomde paleizen, met eigen handen gebouwde veranda's en over verboden verhoudingen tussen inheemse vrouwen en koloniale mannen. Hij hoort hoe jaloezie en wanbeleid stap voor stap leidden tot de uiteindelijke, noodlottige ondergang van de handelsonderneming en het definitieve exil van de familie. Jean, een buitenbeentje zonder vriendjes op school, zuigt de verhalen zo gulzig in zich op dat zijn werkelijkheid zich elders, in die substance d'éternité, in dat verleden bevindt. Tante Catherine draagt haar hele geheugen over op de jongen: hij kent alle geheimen, hij is er de levende verpersoonlijking van.

De andere achttienjarige jongeman uit Révolutions, de achttiende-eeuwer, is Jean Marro's voorouder met wie dat koloniale verleden allemaal begon. Hij meldt zich in 1792, met achterlating van zijn moeder, zus en verloofde, aan als vrijwillig soldaat in het Franse leger dat de aanval van de Pruisen moet zien af te slaan. Gedesillusioneerd door het kwaad en de verbittering die hij overal om zich heen ziet en vol van moderne ideeën die nog lang geen gemeengoed zijn, besluit hij het Bretonse platteland voorgoed te verlaten en gehoor te geven aan de oproep elders een nieuw Frankrijk te stichten.

Met deze verhaallijn geeft Le Clézio een avontuurlijk, levensecht beeld van hoe het er tijdens de grote zeereizen van toen aan toe ging: piraten, ziektes, stormen, ondervoeding, nare medereizigers – de jongen ervaart het allemaal aan levenden lijve en houdt er nauwgezet een dagboek van bij. Eenmaal aangekomen begint het ware, zware pionierswerk waarbij alles van de grond moet worden opgebouwd.

Slavernij

Le Clézio schuwt de delicate en in Frankrijk actuele kwestie van het slavernijverleden niet: hij meldt hoe de Engelse en later de Franse wetgeving (afschaffing van de slavernij) op het eiland doordringt en vervolgens wordt weggemoffeld. In dagboekvorm laat hij een zwarte vrouw aan het woord over haar eigen, gruwelijke ervaringen met de kolonisten. Een radicale, zwart-wit veroordeling van de kolonisatie is het niet: nooit vergeet Le Clézio dat zijn vader zijn hele werkzame leven als koloniaal arts in Afrika doorbracht, ploeterde in de brousse en er pas oud, gebroken en uitgeput weer vandaan kwam.

Zoals in het levensverhaal van de achttiende-eeuwer het heikele punt van de slavernij is verweven, zo groeit Jean Marro op tijdens de hete, tot op de dag van vandaag onverwerkte jaren van de Algerijnse vrijheidsoorlog. Het geweld, in Algerije en op het Franse platteland, neemt dagelijks toe. Pieds-noirs vluchten naar Nice, overal worden aanslagen gepleegd en vallen doden. Overal heerst angst. Enkele van Jeans vrienden smokkelen wapens voor het FLN, het Algerijnse bevrijdingsleger, anderen maken de oversteek en sneuvelen bij gevechten, weer anderen nemen de benen naar het buitenland om de oproep voor militaire dienst te ontlopen. Jean houdt in zijn zwartboek Algerije precies bij hoeveel mensen er sterven bij welke incidenten en gaat naar Londen om er medicijnen te studeren.

Waar Jean ook naartoe reist, waar hij ook studeert of woont, hij blijft als het ware `uit de tijd vallen'. Voortdurend kampt hij met een gevoel van onwerkelijkheid. `Het gebeurt hier en nu, dat verleden van je kan me niet schelen', roept een vriend hem eens toe in een poging hem wakker te schudden, hem het heden te laten ervaren. Tevergeefs: Jean blijft worstelen met zijn verhouding tot ruimte en tijd. Kun je tegelijkertijd in meer tijden meer levens leven? Jean kan het, hij kan zelfs niet anders. De prijs die hij betaalt is een gevoel van leegte, een voortdurend zoeken naar geuren, beelden en geluiden van een verloren tijd en van een verdwenen verleden. Pas wanneer hij een Algerijnse vrouw ontmoet met een even ondoorzichtig origine, heeft hij enigszins het idee deel te nemen aan het hier en nu, pas dan heeft hij de illusie even echt te bestaan. `Elle est de nulle part, comme lui', schrijft Le Clézio: ook zij komt eigenlijk nergens vandaan.

J.M.G. Le Clézio: Révolutions. Gallimard, 555 blz. €22.-. De Nederlandse vertaling verschijnt in het voorjaar van 2004 bij

uitgeverij De Geus.