Kniertje kan geen vis betalen

Toneelbezoekers zijn niet grijs, kleine theatergroepen kosten weinig geld en acteurs moeten droog brood eten.

In het vierde deel van een serie over aantallen en bedragen in de kunsten: het toneel.

Zolang niet iedere toneelspeler in Nederland een eigen huis met een auto voor de deur heeft, deugt het toneelbestel niet. Althans, dat vond regisseur Jan Joris Lamers. De man die ook een nieuw universeel mensenrecht proclameerde: `Iedereen heeft toch recht op subsidie'. Inmiddels krijgt Lamers' eigen groep Discordia geen subsidie meer, en dreigt vanaf 2005 hetzelfde te gebeuren met een deel van het structureel gesubsidieerde toneel in Nederland.

Met het publiceren van haar uitgangspuntenbrief begin vorige maand heeft de nieuwe staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan het startschot gegeven voor de aanloop naar de nieuwe Cultuurnotaperiode 2005-2008. Theatergroepen die structurele rijkssubsdie willen, moeten vóór 28 november, vijf uur 's middags, hun aanvraag in de brievenbus van het ministerie van OC&W stoppen (let op, nieuw adres: Rijnstraat 50, Den Haag). De race om de subsidie dreigt een bloedige te worden. Van der Laan wil in haar Cultuurnota namelijk 156 miljoen euro gaan bezuinigen, Ze heeft nu reeds aangekondigd niet volgens de kaasschaafmethode (iedereen een beetje minder) te willen snijden. Er gaan dus gesubsideerden sneuvelen.

Wat kost het theater ons eigenlijk? De overheid gaf vorig jaar ongeveer 77 miljoen euro uit aan theater. Daarvan komt 44,8 miljoen uit de vierjaarlijkse Cultuurnota van het ministerie van OC&W. De twee rijksfondsen voor de podiumkunsten hebben jaarlijks 18,6 miljoen te besteden. De rest komt van de gemeentes en de provincies. Meestal worden gezelschappen door zowel de gemeente als het rijk gesubsidieerd die daarover onderling afspraken maken. Bij de grote gezelschappen uit de randstad is de verdeelsleutel doorgaans 60% van het rijk en 40% van de gemeente. Sommige gezelschappen leven louter van gemeentesubsidie, zoals De Appel in Den Haag. De jeugdtheatergezelschappen worden doorgaans door rijk en provincie gesubsidieerd in een half-om-half verdeling. Op ieder verkocht kaartje van zo'n 15 euro zit ongeveer 30 euro subsidie. Bij dat subsidiebedrag zit nog niet de bijdrage aan schouwburgen en theaters door de gemeentes. Hoeveel geld daarmee gemoeid is, is niet duidelijk.

Eén van de speerpunten van Van der Laans beleid is dat kunstenaars zákelijker moeten worden. ,,Creativiteit en bestuurlijke vermogens zijn bijna onverenigbare kwaliteiten,'' zei ze in de Volkskrant, hiermee het vooroordeel bevestigend dat kunstenaars grote kinderen zijn met een gat in hun hand. Ze moeten, zoals haar voorganger Van der Ploeg al had bedacht, `culturele ondernemers' worden, zodat ze minder afhankelijk van subsidies worden. Van der Laan wil zelf een website openen met handige zakentips voor wat inmiddels `cultural governance' heet.

Maar uit onderzoek van de VNT (Vereniging van Nederlandse Theatergezelschappen) over de periode 1990-2000, blijkt dat theatermakers allang minder subsidieafhankelijk zijn geworden. Een toneelgroep kreeg in het seizoen 1999-2000 gemiddeld 8 ton subsidie. Drie ton haalde hij zelf op, aan kaartverkoop, sponsoring en fondsenwerving. Hij was dus voor 73 procent afhankelijk van subsidie. In 1990-1991 was die afhankelijkheid nog 87 procent. Het cultureel ondernemerschap is al minstens dertien jaar een trend.

De liefhebbers

Hoe komt het dat de gezelschappen financieel beter op hun eigen benen kunnen staan? In de eerste plaats door de enorme toeloop van publiek. Jarenlang riep iedereen dat het theater `uit' was. Het was niet hip genoeg voor jongeren, en te experimenteel voor ouderen. Ondertussen zijn er in Nederland 520 theater- en concertzalen, met daarin 271.000 stoelen. Op die stoelen zitten jaarlijks 6,6 miljoen keer bezoekers van een musical, cabaretier of toneelstuk. Het aantal bezoeken aan het gesubsidieerde toneel is sinds begin jaren negentig met 75 procent gestegen, van 690.000 in seizoen '90-'91 naar 1,2 miljoen in '99-2000. Inmiddels zal het cijfer van 1990 wel zijn verdubbeld.

Het is een raadsel waarom iedereen toch denkt dat niemand naar theater gaat. Wellicht gaan de mensen wel, maar práten ze er niet over, zodat theater geen deel uitmaakt van het nationale gesprek bij de koffieautomaat. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) – dat ondanks de stijgende kaartjesverkoop de toekomst van het toneel wat somber inziet – kan een reden zijn dat een toneelstuk niet elektronisch reproduceerbaar is: je kunt het niet mee naar huis nemen als cd of dvd. Verder zou volgens het SCP de brede amusementsfunctie van het toneel zijn overgenomen door musical, cabaret, tv en bioscoop.

De meeste mensen gaan één keer per jaar naar het theater. Een kleine groep van 320.000 mensen gaat geregeld. Hoe zien die liefhebbers eruit? Volgens de statistieken van het SCP is de gemiddelde theaterliefhebber een hoogopgeleide 36-plusser, wonend in de randstad. Zij is een uithuizig type. Ze kijkt weinig tv, bezoekt naast het theater ook vaak vrienden, familie, concerten, cafés en restaurants, en vindt op raadselachtige wijze ook nog tijd om kranten en boeken te lezen. De SCP vermeldt het niet, maar het vermoeden leeft dat zij ook rookt en drinkt, en geen vaste vriend heeft.

Het publiek mag dan wel toestromen, gezelschappen komen door de kostenstijgingen toch steeds meer in de financiële problemen. Het adviesbureau Cap Gemini & Young rekende in opdracht van de theaterwereld uit hoeveel die kosten stijgen: 330 miljoen in de periode 2001-2008. De oorzaken zijn volgens het bureau: achterstallige inflatiecorrectie, stijgende pensioen- en WW-premies (doordat er steeds flexibeler gewerkt wordt), strenger auteursrecht, en strengere eisen voor brandveiligheid, werktijden en werkomstandigheden (Arbo-wet).

Duur is bijvoorbeeld dat werknemers niet meer dan 25 kilo's mogen tillen (dansers die danseressen optillen zijn hiervan vrijgesteld, om de eetproblemen in deze sector niet nóg erger te maken). Technici mogen niet meer met louter spierballen decors ophijsen. Alle grote theaters moeten daarom een elektronische trekkenwand (het stelsel waaraan de decorstukken hangen) à 2 miljoen euro laten bouwen. Van iedere voorstelling moet voor de veiligheid een nieuwe, dure `risicoanalyse' worden gemaakt. Duur is verder dat technici na het bouwen van het decor overdag, niet meer 's avonds de voorstelling mogen begeleiden. Daarvoor moet een tweede ploeg komen; verdubbeling van de salariskosten.

Ook duur zijn de liquidatiekosten. Wanneer een staatssecretaris een paar gezelschappen uit de Cultuurnota gooit, gaan deze doorgaans failliet. Opheffen kost geld. Het rijk betaalde aan het begin van de huidige Cultuurnotaperiode 27 miljoen euro aan liquidatiekosten. Als Van der Laan flink gaat snijden in het aantal groepen, wordt dat liquideren onbetaalbaar. Het rijk wil daarom dat geliquideerde toneelgroepen voortaan hun eigen begrafenis betalen. Daarvoor moet het theater zich duur verzekeren.

Met zulke zware vaste lasten valt er weinig cultureel te ondernemen. Doordat er steeds meer geld opgaat aan de randvoorwaarden, blijft er steeds minder geld over voor de voorstellingen. Het gevolg is dat alles op een koopje moet. In de schouwburgen vertaalt dat zich in steeds minder mensen op het toneel, veel dubbelrollen, en sobere, makkelijke decors, die weinig technici behoeven.

Verschraling

De overheid subsidieert het toneel sinds de Tweede Wereldoorlog. Vóór de oorlog gold toneel bij de overheid als `geen deugdzame kunst' die `opzettelijk de booze hartstochten der toeschouwers prikkelt'. In 1950 waren er slechts vijf toneelgroepen. In 1969, aan de vooravond van Aktie Tomaat, waren er elf. Sinds die theaterrevolutie is het toneelbestel geëxplodeerd. In plaats van enkele grote gezelschappen, ontstond er een wildgroei van kleine clubs doe-het-zelvers die niet meer in schouwburgen, maar in kleine theaters met een `vlakke vloer' wilden spelen. Inmiddels zijn er 96 structureel gesubsidieerde theatergroepen, productiehuizen en werkhuizen.

Die 96 toneelproducerenden maken steeds meer voorstellingen, die steeds korter te zien zijn. Wat dat betreft is de verschraling ook de schuld van de groepen zelf; zakelijk gezien produceren ze te veel. In 1970 werden nog 3600 voorstellingen gegeven, in 2001 waren dat er 7382. Het leeuwendeel van deze voorstellingen wordt gemaakt voor het kleine theater. De dertien grote, reizende gezelschappen die de schouwburgen van het land bedienen, gingen juist minder spelen: 2032 voorstellingen in `90-91, 1879 in seizoen `99-2000.

Reeds begin jaren tachtig werd er gewaarschuwd voor de `versnippering'. En ook nu weer is `versnippering' het woord dat op ieders lippen ligt. Van der Laan ergert zich aan de praktijk om de subsidie over zoveel instanties te verdelen: ,,Er is te veel doorgepolderd.'' De grote versnipperaar was haar voorganger Rick van der Ploeg die onder het motto `nieuw voor oud' tientallen nieuwe groepjes, soms volstrekt onbekend, tot zijn Cultuurnota toeliet. In de sectoranalyse die de Raad voor Cultuur in april van het theater maakte, schetst het adviesorgaan een beeld van het kleine-zaalcircuit als een onoverzichtelijk oerwoud van `onzichtbare' voorstellingen, waarvan de kwaliteit ook nog te wensen overlaat.

Het schrikbeeld der versnippering verdient enige nuance. Natuurlijk maken de kleine groepen veel troep, maar ook veel mooie toneestukken, die zeker niet onderdoen voor wat de grote gezelschappen ons bieden. En financieel is versnippering nauwelijks een probleem, omdat al die kleine clubs nauwelijks rijkssubsidie krijgen: gemiddeld 2,2 ton per jaar. Het leeuwendeel van de subsidie gaat nog altijd naar de grote gezelschappen. De Top 12 van grote groepen slokt bij elkaar 32,5 miljoen euro overheidssteun op, zeg maar de helft. De andere helft wordt verdeeld onder 84 kleinere groepen en producenten.

Koffiekosten

De verschraling heeft direct invloed op de mensen die ervan moeten leven: de toneelspelers. Ze kunnen per jaar steeds minder werken, mede omdat het aantal beroepsacteurs harder stijgt dan het aantal toneelstukken. De 1967 beroepsacteurs in Nederland werken gemiddeld 7,2 maanden per jaar. 47 Procent van de acteurs is jaarlijks zes maanden of langer werkloos. In 1990 was dat nog 39 procent. Minder dan eenderde van de acteurs is in vaste dienst, tweederde werkt met losse contracten.

In de 7,2 maanden dat acteurs wél werken, verdienen zij gemiddeld 14.668 euro per jaar. Volgens de acteurs-CAO verdient een beginnend, geschoold acteur bruto 1824 euro per maand. De hoogste schaal is 5153 euro per maand, maar dan moet je wel ,,gedurende een aantal jaren hebben bewezen als hoofdrolspeler een stuk te kunnen dragen''. Een acteur mag tien uur per dag werken. Reistijd geldt niet als werk. Dat terwijl een acteur op tournee dagelijks urenlang in de file staat. Wel mag een acteur jaarlijks 150 euro declaren aan koffie en theekosten.

Toneelspelers worden steeds jonger. Kun je in een buitenlands theater vaak een buikige Hamlet van vijftig aantreffen, in Nederland zie je eerder een kwieke Kniertje van vijfentwintig. Jonge acteurs zijn voor de gezelschappen goedkoper, flexibeler, en het oogt prettig. Wie boven de 45 jaar is en nog geen vaste baan heeft, kan nog maar moeilijk een los contract krijgen. Vooral actrices in de tussenleeftijd – te oud voor mooie-dochterrol, te jong voor moederrol – lijden hieronder. Velen haken af. Het pensioenfonds telde slechts 172 acteurs (8,7 procent) boven de 45 jaar.

De toekomstdroom van Jan Joris Lamers – iedere acteur een eigen huis en auto – bijt zijn andere droom, dat alle Nederlanders subsidie krijgen. Nu de relatief krimpende subsidie over steeds meer mensen moet worden verdeeld, lijkt het er eerder op dat de gemiddelde acteur op zijn studentenkamer moet blijven wonen en met de fiets naar het repetitielokaal moet.