Je wilt geen dreun, wel ritme

In het vierde deel van een serie interviews met dichters over een van hun gedichten een gesprek met Hans Tentije.

Hans Tentije debuteerde in 1975 met de bundel Alles is er. In zijn laatste bundel Wat het licht doet(2003) – met op de omslag een prachtige foto van een processie van St. Etienne in een Provençaals dorp, gemaakt door de auteur zelf – staan verschillende reeksen van tamelijk lange gedichten - over een Romeinse sierspeld, over Dresden, over verschillende plaatsen in Italië. Het gedicht waarover dit gesprek gaat, is afkomstig uit de reeks `De spuwers van Avioth'. Avioth is een plaatsje in Noordoost-Frankrijk, in het departement Meuse. Er staat, zo begrijpen we uit de reeks en uit de noot achterin de bundel, een kathedraal versierd met waterspuwers.

Avioth is niet erg bekend - is er voorkennis nodig om deze gedichten te kunnen lezen?

,,Nee, dat denk ik niet. Avioth is een onbekend klein plaatsje vlak over de Belgische grens, het is heel raar dat daar ooit in het niets een kathedraal is neergezet. Ik veronderstel dat ze dachten dat het uit zou groeien tot een stad, maar dat is nooit gebeurd. Het ligt in de hoek waar veel grote veldslagen hebben gewoed. Het fascinerende is dat die kathedraal desondanks redelijk intact is gebleven, al hebben de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog er hun paarden in gestald - met het koorhek als ruif veronderstel ik in een ander gedicht uit deze reeks.

,,Spuwers, gargouilles, zijn altijd merkwaardig, maar hier zijn ze héél merkwaardig omdat ze schaamteloos hun geslachtsdelen tonen, zelfs in verheven toestand. Ze dienen voor de waterafvoer en vormen zo op een concrete manier de verbinding tussen hemel en aarde: het hemelwater, de zegen van boven, verdwijnt via hen in de grond. Het aardse karakter van die spuwers gaat ver terug, hun afschrikwekkende werking en uiterlijk zijn gebaseerd op heidense beelden. Binnen in die kathedraal is alles zeer katholiek, daar hangt een sfeer van heiligheid en geloof, terwijl buiten aan de goten die heidense gasten hun werk moeten doen. Dat intrigeert me.''

In deze reeks beschrijft u veel.

,,Het moet heel concreet vind ik. Die spuwers zijn ook heel concreet. Wat ze verbeelden wil ik voelbaar maken, zowel hun uiterlijk als waar ze voor staan.''

Hoe zorgt u ervoor dat het dan geen proza maar poëzie wordt?

,,Dat is moeilijk aan te geven. Ik maak gebruik van klankeffecten – bokken, gedrochtelijk, hond, rotje, strot, ontzettend - van enjambementen etcetera. En ik denk dat de poëzie schuilt in het gecomprimeerde karakter van het geheel. Er is van beeldspraak vrijwel geen sprake, maar ik wil het zó zeggen dat de beeldspraak overbodig wordt, dat het gedicht het beeld zelf wordt. In dat opzicht onderscheidt het zich van proza.''

Heeft u bij het woord `kruisingen' de associatie met `kruisigingen' bedoeld?

,,Het is wat vergezocht, maar je kunt er een verwijzing naar het christendom in horen. Het zijn echt kruisingen, die spuwers, hybride wezens en de kathedraal heeft door hun heidense aanwezigheid ook een hybridisch karakter.''

Het woord `rotje' doet de lezer even opschrikken.

,,Ja, dat is een profanatie. Ik heb een vreselijke hekel aan het geloof en aan het christendom, ook al hebben we er een niet onaanzienlijk deel van onze cultuur aan te danken. Vooral het katholicisme heeft voor veel ellende gezorgd - denk aan de bekeringen op niks af, de tanks van Mussolini die gezegend werden, hoe men zich steeds weer committeerde aan de verkeerde regimes. Ik heb daarom altijd moeite om een katholieke kerk in te gaan. En om die reden gebruik ik in dit verband graag woorden als `rotje', `tengels', 'strot'.''

De regels in dit gedicht zijn heel ongelijk van lengte.

,,Ik vind dat regellengtes moeten variëren, dat maakt het visueel aantrekkelijk. Het geeft ook meer ruimtelijkheid.''

U telt duidelijk geen lettergrepen - wat doet u aan het ritme?

,,Je merkt dat een woord verkeerd staat als het ritmisch niet klopt. Er staat al gauw te veel, dus dan kan zo'n woord soms eenvoudig weggelaten worden. Maar je wilt ook geen dreun, dus het is ook goed om het ritme soms te laten ontsporen.''

Waarom eindigt u de eerste strofe met een liggend streepje?

,,Anders moet ik weer verder met een hoofdletter en dat vind ik storend. Ik wil een gedicht open, vloeiend, stromend houden, daarom gebruik ik weinig interpunctie. Zelfs geen punt aan het eind, dat vind ik zo definitief.''

De tweede strofe loopt eigenlijk door in de derde strofe, waarom staat er dan toch een witregel?

,,Ik wilde die oude vrouw er uitlichten. De eerste en de derde strofe gaan over die spuwers. Nu ik er weer naar kijk valt me op dat in de eerste strofe sprake is van `tengels', in de tweede van `handen' en in de derde van `gebalde vuisten'. Dat vind ik eigenlijk wel mooi.

Staat die `berenklauw' er ook om die reden?

,,Ik kan me niet herinneren dat ik die daar echt gezien heb. De verbeelding moet ook aan het werk gezet worden.''

U noemt de vrouw `ontzettend' oud, niet `heel' of `erg' of iets dergelijks. Moeten we dat ook letterlijk lezen?

,,Die vrouw heb ik wel zien staan, en ze was echt ontzettend oud. Dat kwam goed uit in verband met die ontzettend oude kathedraal. Ze vertegenwoordigt het oude van de plek.

,,Het ontzet je dat zo'n vrouw nog in de tuin aan het werk is, dat ze nog bestaat. En het woord correspondeert met `bekkentrekkend', `blèrend', `belendend'.''

Ineens staat er dan het woord `mosterdgas'.

,,Ja. Je wordt door dat koolzaadgeel op het verkeerde been gezet. Mosterd is ook geel als het bloeit. Elders in deze reeks wordt gerefereerd aan de Eerste Wereldoorlog, waarin mosterdgas werd gebruikt. Het zit op sommige plaatsen nog steeds in de grond.''

Het is niet zichtbaar, zoals dat schreeuwen niet hoorbaar is.

,,Het is een geluidloos schreeuwen door die open bekken, spotziek en honend over wat zich in de wereld afspeelt. `Wie lacht niet die de mens beziet'. Alleen zij zagen wat er verdween, door het standpunt waarop ze zich bevinden, van boven af. En door hun ouderdom.''

Wilt u dat de lezer `onthouden' in twee betekenissen leest?

,,Nee, hier niet. Het gaat om wat er niet meer is. In het geloof schuilt een bepaalde belofte over het paradijs op aarde, maar dat is gaandeweg naar de hemel verhuisd.''

Wat kreeg de wereld dan toebedeeld?

,,Ellende, misère, ziekte, oorlog, dood.''

En toch is dit een verstild gedicht.

,,Ja, terwijl er van alles verontrustends meespeelt. Met verstilling alleen heb ik niets.''

Met lawaai ook niet.

,,Nee.''